veenkolonien

turfschepen langs het Pekelderdiep

Rond het midden van de negentiende eeuw verlegden verveners hun blikveld naar de tamelijk geïsoleerd gelegen venen in het zuidoosten van Drenthe. De klachten uit het ‘oude’ Drenthe waren een reactie op het snelle tempo van de ingrijpende landschappelijke en demografische veranderingen die hiervan het gevolg waren. Verreweg de meeste veenarbeiders kwamen van elders, omdat de vraag naar arbeidskrachten bijna onuitputtelijk was, terwijl de lokale bevolking er weinig voor voelde om in het veenmoeras te gaan werken. De venen waren dan ook sinds mensenheugenis grotendeels ongerept, leeg en verlaten geweest. ‘Er was hier helemaal geen autochtone bevolking’, vertelde de voormalige veenarbeider Harmen van Houten over die situatie. ‘De boertjes van de zandgronden gingen niet het veen in, geen denken aan.’

Turf


turfsteken De bovenste veenlaag wordt bonklaag genoemd en heeft geen waarde voor de turfgraverij. Deze bonklaag werd op de reeds afgegraven dalgrond gelegd en met het zand vermengd om een enigzins vruchtbare bodem te verkrijgen.
Het spagnumveen of grauwveen bestaat uit planten die slechts in geringe mate het veenwordenigsproces hebben ondergaan en heeft waarde voor de turfstrooiselfabricage.
Hieronder bevindt zich de oudere veenmosturf, het Hollandse zwart- of blauwveen. Deze levert de scherpe fabrieksturf (scherp vanwege de lange heidestengels die na droging als scherpe punten uit de turf steken). Deze turf heeft een grote verbrandingswaarde en werd vooral in fabrieken gestookt.

De bosveenlaag of stobbenveenlaag wordt gekarakteriseerd door de aanwezigheid van onvergane boomresten (stobben).
De onderste laag is de darglaag. Het gespitte veen werd met water tot een pap verwerkt en vervolgens over een veld uitgespreid om te drogen. Dit proces leverde een zeer harde turf met een schone hoge verbrandingswaarde. Deze baggerturf werd in de huizen gestookt.

baggerturf

De vervening

Het centrale deel van het Bourtanger moeras is niet door de omliggende gebieden in cultuur gebracht. Omdat er in de directe nabijheid van de dorpen voldoende turf voorhanden was, bestond er geen aanleiding om verder het veen in te trekken. Het waren dan ook voornamelijk kolonisten uit Friesland en Holland die gedreven door het tekort aan brandhout in de zeventiende eeuw de vervening ter hand namen.
De grote veencomplexen werden gezamelijk aangepakt en geëxlpioteerd in nauwe aanpassing aan de fysische gesteldheid van het landschap, naar een vooraf gemaakt plan en volgens vaste regels.
Door metingen en boringen kreeg men informatie over de dikte van het veen, de mogelijkheden van de turf en de helling van de ondergrond. Dit laatste was belangrijk voor de richting die het hoofdkanaal moest krijgen. Op de laagste plaatsen was de afwatering het gemakkelijkst, vandaaruit werden de wijken tegen de klimming van het veen ingegraven.

Veendam-Wildervanck

Omdat de onregelmatige afwatering van het hoogveen een probleem vormde voor de dorpen Muntendam en Meeden, werd er in de middeleeuwen aan de zuidkant van deze zandvlekken een veendijk aangelegd die een deel van de de lagergelegen weidegrond tegen het water beschermde. Tussen de zandeilanden lag nog een dijk de Hoge Dam. In het gebied tussen deze twee dijken ontstond Boven-Muntendam (het huidige Veendam).
De bevolking bestond in de zeventiende eeuw hoofdzakelijk uit veenarbeiders en turfschippers. Doordat het scheepvaartverkeer door de vele sluizen tot wachten gedwongen was konden steeds meer middenstanders zich in Veendam vestigen.
Met het opschuiven van de turfgraverij naar het zuiden maakten de turfarbeiders plaats voor landbouwkolonisten uit het Oltambt. Veendam behield haar dienstverlenende functie, nu voor de nabijgelegen landbouwkoloniën.

Jan Friderijk Willem Bergmeester, geboren 1781 in ‘Peurtseide, Lipland’ (wat volgens mij in het Lippe-dal onder Hannover moet liggen) trouwde in 1804 in Veendam met Meintje Tjerks, geboren in Meeden (in haar overlijdensakte staat Veendam, ofwel Boven-Muntendam). Ze kregen hier 4 kinderen, Jan, Fennechien, Willemina en Albertje. Waarschijnlijk is het gezin toen verhuisd, want de volgende 4 kinderen werden in Gieten, Borger enBuinerveen geboren; Fransina, Tjerkien ( die in 1869 met haar man en 7 kinderen, de oudste was toen al overleden, naar Amerika emigreerde), Willem en Meintje. Willem trouwde in 1844 te borger met Roelfje Trip.

Borger-Odoorn

Sinds de gemeentelijke herindeling in Drenthe zijn de twee authentieke zand-veen gemeenten samengevoegd tot een nieuwe gemeente. Beide gemeenten onderscheiden zich door hun landschappelijke structuur. De ruggengraat wordt gevormd door de Hondsrug. Ten westen daarvan is het karakteristieke Drentse esdorpenlandschap te zien, afgewisseld met vooral negentiende-eeuwse veenontginningen. Ten oosten van de Hondsrug strekt zich het grote gebied van de Drents-Groningse Veenkoloniën uit, vanaf de zeventiende eeuw systematisch ontgonnen en in cultuur gebracht. Wie langs de oostkant van de Hondsrug rijdt, kan zich misschien voorstellen welke onmetelijke moerassen eeuwen geleden hier lagen en met hoeveelheid menskracht de ontginning hiervan tot stand gebracht is. De haast rigide structuur van kanalen en wijken is in dit gebied nog goed te herkennen.

De eerste 3 kinderen vanWillem en Roelfje werden nog in Borger geboren; Willem, Geezina en Berend. De 5 kinderen die daarna nog kwamen, zijn in Odoorn ter wereld gekomen. Het gezin is waarschijnlijk verhuisd naar een gebied dat daarna verveend werd? Berend trouwde in 1880metGeesjeHanken uit Schoonebeek, gemeente Dalen. In het foto-album staan verschillende foto’s van hen. Zij kregen drie zoons,Jan Willem, Jan Andries en Willem. Deze Willem is mijnopa. Hij was vervener in het Amsterdamsche veld. Samen met mijn nicht Rika doe ik stamboomonderzoek.