ruinen

Ruinen De gemeente De Wolden is een bezoek meer dan waard. Al in het jaar 1141 werd melding gemaakt van de ‘heerlijckheid’ Ruinen. Het klooster Dickninge bij de Wijk werd door Ruiner monniken gesticht en vanuit Huize Echten werd de streek rondom Zuidwolde ontgonnen. Deze rijke historie is goed af te zien aan de vele karakteristieke boerderijen die u in de gemeente De Wolden aantreft. Bijzonder aan te raden is om de route van Ruinerwold naar Ruinen over de Dr. Larijweg te volgen. Naast de duizend perenbomen vindt u hier vele statige monumentale panden.

hoekstraat ruinen

Ook qua landschap mag De Wolden zich rijk noemen. Het stroomdallandschap bij de Wijk met z’n vele ooievaars levert bijvoorbeeld fraaie plaatjes op.

De heerlijkheid Ruinen omvatte volgens een daarvan voorhanden kaart van 28 november 1628 (aanwezig in de oude statenarchieven) het grondgebied, omsloten ten westen door de Leisloot en ten noorden door de onbebouwde gronden zuidelijk van Reebruggen, Ansen en Kralo; de oost- en zuidoostgrenzen omsloten Weerwille en wellicht Anholt en Gijsselte, doch sloten buiten de heerlijkheid: Nuil, Eursinge, Oostering, Pesse en wellicht ook Bultinge; de zuidgrens bracht nog tot Ruinen Blijdenstein en Tweelo, doch sloot Echten, Struikberg, Koekange, Broekhuizen en Oosterboer buiten. De onbetrouwbaarheid dezer kaart valt echter te bewijzen. Zij is opgemaakt op verzoek van Drost en Gedeputeerden van Drenthe in een tijd, toen Drenthes bestuur ernaar streefde de rechten van de heer van Ruinen in zijn heerlijkheid tot nul te reduceren. De landmeter die de kaart vervaardigde, heeft toen onjuiste inlichtingen van Drenthes bestuur ontvangen, opdat ten minste de heerlijkheid zo klein mogelijk z ou schrijnen. De noordgrens behoorde in te sluiten Ansen en Kralo* en waarschijnlijk ook Reebruggen* . Pesse lag niet buiten doch in de heerlijkheid* . Andere gegevens zijn niet voorhanden, tenzij uit de tijd nadat de beslissing in het geschil van Drenthe met de heer van Ruinen over het ressort der heerlijkheid was gevallen. De administratieve grenzen van na die tijd kunnen afwijken van die der heerlijkheid.
Een deel dezer landen was zeer bosrijk; vandaar dat gesproken werd van de Wolden of de Woldstreek, Haaks- en Buddingwolde, in het tegenwoordige Ruinerwold gelegen.
Reeds in de 14e eeuw werd de Bullinge (in Staphorst) tegelijk met Ruinen in leen uitgegeven
De heerlijkheid was een leen van de bisschoppen van Utrecht. In de eerste helft der 12e eeuw komt een Otto van Ruinen voor onder ’s bisschops ministerialen; zeer waarschijnlijk was deze toen bezitter der heerlijkheid. Sedert vinden wij verschillende heren en vrouwen van Ruinen als ’s bisschops leenmannen, totdat de afzwering van Philips haar invloed ook deed gevoelen op de belening. De Staten van Overijssel verrichtten de begeving der heerlijkheid als aan hen vervallen ; en zo zien wij tot en de tweede helft der 18e eeuw de aanstaande heren van Ruinen (en daaronder ook de Staten van Drenthe) de belening te Zwolle vragen . Een poging door de Drentse Staten aangewend om afstand te verkrijgen van dit recht hunner Overijsselse collega’s mislukte . De revolutie van 1795 vervulde Drenthes wens; sedert die tijd is de heerlijkheid, die reeds feitelijk was opgelost in het Landschap, niet meer in leen uitgegeven.

Ruinen was een niet onaanzienlijke heerlijkheid, zodat de heren weer verscheidene hunner bezittingen in achterleen konden uitgeven. Maar dat niet alleen. Dank zij het feit, dat het door de Staten van Overijssel in leen werd uitgegeven, weigerde het te delen in de heffingen ter betaling der oorlogslasten over het Drentse grondgebied uitgeschreven . Pijnlijk is de hieruit gevolgde procedure voor het landschap Drenthe geweest. Enerzijds de heer van Ruinen, die weigerde te gehoorzamen aan de door Ridderschap en Eigenerfden gestelde voorschriften; anderzijds Drenthe niet souverein en niet hem kunnende dwingen, doch recht moetende zoeken voor de Raad van State en de Staten-Generaal. En dat terwijl de overige provinciën souverein waren in hun gebied.
Doch in verloop van tijd werd de verhouding beter. Overeenkomstig de sententie der Staten-Generaal in de zo-even genoemde geschillen, d.d. 3 januari 1654* , werd het Drents landrecht in de heerlijkheid ingevoerd en daarmede dus een stap gedaan naar de oplossing van Ruinen in het haar enclaverend gebied.
Belangrijker voor zulk een oplossing was de aankoop door Drenthe in 1766 van de regalia der heerlijkheid, in de volgende jaren gevolgd door de aankoop der goederen De definitieve overdracht had plaats op 3 januari 1783. Na de aankoop der regalia trad de drost van Drenthe op als leendrager namens Ridderschap en Eigenerfden . In 1785 werd door Drost en Gedeputeerden in samenwerking met een commissie uit Ridderschap en Eigenerfden een plan ontworden tot inlijving der heerlijkheid in het landschap . In verband daarmede richtte het dagelijks bestuur van Drenthe zich tot Ridderschap en Steden van Overijssel met het verzoek, de leenroerigheid op billijke voorwaarden op te heffen. Bij resolutie van 19 oktober 1787 werd hierop echter afwijzend beschikt . Bij de ommekeer der zaken in 1795 trokken de Representanten de benoeming van schulten in de heerlijkheid aan zich. De staatsregeling van 1798, gekant tegen heerlijke rechten en het leenstelsel (artt. 24 en 25) bekrachtigde spoedig daarna Drenthes verlangen.
Wat de rechtspraak betreft stond Ruinen onder een tamelijk zelfstandige bedeling tot zijn inlijving in 1795. Naar afzonderlijke voorschriften werd de heerlijkheid bestuurd: naar het schijnt echter voor de twee grote delen daarvan (Ruinen en het Wold) verschillend, immers een speciaal landrecht (van 24 maart 1428) voor Budding- en Haakswolde is nog bewaard gebleven. Dit landrecht werd de ingezetenen verleend door de heer van Ruinen, die ook voorzat in het hoogste rechtscollege van zijn gebied, dat van heer en twaalven, ook wel “het landrecht” genoemd. Daaronder ressorteerden de schulten van Ruinen en het Wold.
Het behoeft nauwelijks te worden betoogd dat dezelfde strijd, die gevoerd werd in het administratieve, ook in het justitiële werd gevonden, en dat dus de etstoel, Drenthes hoogste rechtscollege, meer dan eens trachtte zich te stellen boven het Ruinens landrecht. Het bovengenoemd vonnis der Staten-Generaal bracht ook hierin een vaste regel, door te bepalen dat voortaan revisie van de door heer en twaalven gewezen vonnissen zou openstaan op Ridderschap en Eigenerfden.

In verband met de aankoop der heerlijkheid werden verschillende maatregelen beraamd ten opzichte van het bestuur. Daarbij werd in het oog gehouden de wenselijkheid ener samensmelting van het bestuur over Ruinen met dat over Drenthe. Zulk een samensmelting heeft echter niet plaats gehad. Eerst in de revolutionaire tijd werd het “landrecht” ontbonden, werd daarmede de rechtspraak van Ridderschap en Eigenerfden in revisie van de Ruinense vonnissen opgeheven, en werd aan de etstoel dezelfde macht over Ruinen toegekend als over het overig deel van Drenthe.
Uit het boven medegedeelde blijkt, dat wij in de eerste plaats hebben te onderscheiden tussen het archief van de heer van Ruinen en dat van het landrecht. Dit laatste zal, evenals het eerste, hebben berust op het huis te Ruinen en beheerd zijn geworden door de gerichtschrijver der heerlijkheid, die ook de administratie schijnt te hebben gevoerd.
Omstreeks 1704, toen de markies van Hoensbroek de heerlijkheid kocht, schijnt een inventaris te zijn opgemaakt van het archief. Althans van de hand van de toenmalige secretaris der heerlijkheid zijn nummers met een korte omschrijving van de inhoud te vinden op de rug van vele stukken. Een inventaris is echter niet tot ons gekomen.
Toen het landschap in de tweede helft der 18e eeuw de heerlijkheid kocht, is ook het archief overgenomen. Men behandelde het echter met zeer weinig zorg. Zo moest de provinciale archivaris in 1884 en 1885 de stukken “uit diversde hoeken” bijeenzoeken om het heerlijkheidsarchief te reconstrueren.

Waarschijnlijk zijn in die eeuw van verwaarlozing vele stukken verloren gegaan. Immers een feit is het, dat in 1877 het provinciaal museum van oudheden in Drenthe van de erven van mr. W.H. Hofstede, griffier der Staten van Drenthe, behalve andere handschriften, bij koop ontving “een oud handschrift, houdende vermelding van diverse aan den heer van Ruinen verschuldige pachten, met opgaaf van de namen der pachtschuldigen”. Een feit is het ook, dat in 1904 het genoemde museum van de heer C.H.A.A. Engelenberg te Kampen, oud-gedeputeerde van Overijssel en afstammeling van de Drentse assessor Engelenberg, door bemiddeling van de gemeentearchivaris van Kampen mr. J. Nanninga Uitterdijk, ten geschenke ontving een tiental charters en stukken, ontwijfelbaar uit het heerlijkheidsarchief afkomstig en merendeels in 1704 daarin aanwezig.
Inventaris
Archieven van de Heren van Ruinen
Archief van het landrecht
154 Minuteel verbaal van het verhandelde op het landrecht in de heerlijkheid Ruinen, 28 April – 1 Mei 1645
155 “Acte op de landrechte van de vrije heerlijkheid Ruinen en Ruinerwold, 1719-1759, 1” en “… 1762- 1787, 2”; protocol van het verhandelde bij de heer en op het landrecht in de heerlijkheid Ruinen over 17 Nov. 1713-1787 Oct. 10; met alfabetische indices.
156 Sententie, door de heer van Ruinen bij provisie gewezen, in het proces tussen de Ooster- en Wester-geërfden van “Claes Jan Hilbers-landt” over de eigendom van een waterleiding, (11 of 17 Juli 1651)
157 Verklaringen van Rychardt Ketel en J. Struuck Steenbargen omtrent hun bereidwilligheid, te geschikter tijd acten af te geven van een op verzoek van de heer van Ruinen gelegd arrest en van de termijn van betaling aan de heer van kooppenningen spruitende uit een gerechtelijke verkoop, 1646
158 Stukken betreffende processen, behandeld voor het landrecht in de heerlijkheid Ruinen, 1739, 1751
159 Afschrift van informatiën, op 9 augustus 1777 ingewonnen door de gerichtschrijver van Ruinen, omtrent het zich ophouden van Lumme Jans in de heerlijkheid, 1777
Regestenlijst
01 1353 Oktober 31
Johan van Welevelde verklaart ontvangen te hebben van Johan van Rune “in broder-scedinghe unde in denstmanne-stat” de hof te Welevelde, dat Luttike Hulscore, dat Storkeslo, het huis tor Beke, het huis tor Hare, het goed to Bertoldinch en dat Velthus te Hertmen, alles in het kerspel Borghunden; te verheergewaden met 3 ponden en door hem en zijn erfgenamen van J. v. R. en diens erfgenamen steeds volgens genoemd recht te houden.
Ghegeven int jar unses Heren dusent drehundert dree unde viftich up Alle Godes Hylighen avende.
02 1375 November 11
Johan heer van Runen ridder draagt over aan zijn vrouw Zweder “alle onse levendighe roerende have, al unse cleynhede ende goed, dat die scheere bygaen hevet, alle onse silverwerc ende vate dat sy van golde ofte van silver, ende voert al onse reedscap, huesraed ende al onse goed alsoe als dat ghelegen is ten Oeldenhove.”
Met medebezegeling door Roelof van Steenwiich ambtman van Drenthe, Johan die Vos van Steenwiich en Ghert Guedesing.
Gheheven int jaer ons heren dusent dreehondert viif ende seventich op sente Martiins dach in den wiinter.
03 1465 Maart 10
Roeloff van Laer heer te Ruynen en Johanna vrouwe van Ruynen verklaren, Johan van den Cloester te hebben beleend met de erven to den Wildenborge en de Bullinge, 1 hoeve land op Suytwolde in den Erlle, een rente van 13 mudden rogge uit een erf op de Oeverrieste, bewoond door Johann Ffocken, en voorts met alle goederen die Reynolt van den Cloester van hen in leen hield. Weidenbach en Grotefend vermelden onder “Sonntag” Invocavit als de eerste Zondag in de vasten; Reminiscere is dus naar analogie de tweede.
Met vermelding als leenmannen van Johan Bolmans en Otto Wanynge.
Gegeven in den jaer onses Heren duysent vierhundert vyffentsestich dess anderen Sondaichs in der vasten.
04 1465 Mei 27
David van Bourgoendien bisschop te Utrecht verklaart, Johanna van Runen vrouw van Roelof van Laer te hebben beleend met de door haar vader en haar zelf vroeger bezeten heerlijkheid Runen, aan hem vervallen omdat zijn neef Johan graaf ter Hoye te Runen door Johan van Munster “boven unsen ghevrede” gevangen was genomen; en hulde te hebben ontvangen van Roelof haar man.
Met vermelding als leenmannen van Otto van Rechteren ridder, Roeloff van Bevervoerde, Dirck van der Schulenborch en Geryt van Zuylen van Blickenborch.
Gegeven in onser stat van Zwolle int jair onss Heren dusent vierhundert vyf ende tsestich opten soeven ende twintichsten dach in Meye.
05 1465 Augustus 16
Roelof van Laer heer te Ruynen en Johanna vrouwe van Ruynen verklaren, Johan van den Cloester te hebben beleend met een erf in het kerspel Norch in de buurschap Ede, onder de kerk van Venhuysen, behorend tot de heerlijkheid Ruinen, welk erf door Straele was nagelaten aan Reynolt van den Cloester, en geven hem kwijting voor het heergewaad.
Met vermelding als leenmannen van Johan Boelmans en Otto Wanynge.
Geschreven in dem jaer onses Heren Duysent vierhundert vyffentsestich dess Fridaichs na Unser Lever Vrouwen Assumptionis.
06 1478 Juni 3
David van Bourgoendien bisschop te Utrecht verklaart, na het overlijden van Johan van Runen, haar zoon Henrick van Munster te hebben beleend met “die heerlicheit ende gerichte tot Runen, toe Buddinckwolde, Hakeswolde ende ter Bulinge” c.a.; de Oldenhof, de Nyenhoff, de tienden te Runen en te Pette, de goederen Wulverinck, Ludderinck, Hadeboldinck, Westerbrinck, Broecsinck en Olde-Lanssinck alle in het kerspel Runen; de gruit te Runen c.a..; 7 hoeven c.a. in het kerspel Zuytwolde; het goed toe Oeldinck c.a. in het kerspel Dalen, de tienden te Ghies c.a. in het kerspel Hesselen, de grove en smalle tienden over Roederinck en Ribberting in het kerspel Dever; de goederen geheten Westersche Wildenberch c.a. in het kerspel Overreysten; Remmering te Banloe in het kerspel Rolde, Nydinck in het kerspel Norch; de boterpacht c.a. op Buddinckwolde en opter Bullinge; in Twenthe de hof te Welvelde, de Luttike Hulscher, Sterkesloe, het huis ter Beke, het huis ter Haer, het goed toe Ba rtoldinck en dat Velthuys te Hertmen c.a. in het kerspel Borgen.
Met vermelding als leenmannen van Otto van Rechteren en Willem van Buchorst ridders, Goert van Reede, Henric Mulert, Johan Borre, Evert van Leiden.
Gegeven op onsen slote tot Vollenhoe int jair onss Heren dusent vierhondert acht ende tsoventich opten derden dach in Iunio.
07 1480 Mei 4
Roeloff van Laer de jonghe verklaart voor erfburen in den Wolde te hebben verkocht aan Gheert Bartolts een rente van 1 vierendeel boter uit het door hem (G.B.) bewoond erf in Buddingwolde. Met vermelding der toestemming door Roeloffs broeder en zwager Hindrick van Monster en Roeloff van den Cloester, en bezegeling door H.v.M. (als) heer te Runen.
Ghegheven in den jaer ons Heren dusent vierhundert ende tachtentich des Donredaghes nae Meydach Philippi et Iacobi apostolorum.
08 1485 Augustus 13 (of Mei 11)
Roloff van den Cloester en Roloff van Laer de jonghe verklaren te hebben gehuurd van hun neef Symon Polman Habeldinge-hofstede c.a. in de heerlijkheid Ruynen in de Westerstrate, in gebruik bij hun vader Roloff van Laer de oude, tegen een huur van 3 gouden Arnoldus-guldens. Met bezegeling door R. v.d. C.’s zwager en R. v. L.’s broeder Hendrick van Munster, heer te Ruinen. Assumptio Marie viel in 1485 op Maandag 15 Augustus, de vigilie ervoor dus op Zaterdag 13 Augustus. Ascensio Domini viel op 12 Mei, de vigilie ervoor dus op 11 Mei. Wellicht echter is “Domini” een verschrijving voor “Domine” en dus 13 Augustus bedoeld.
Ghegeven in den jaer onses Heeren duisent vierhondert ende vijff unde tachtentich op Onser Liever Vrouwen Hemelvaertz avent Ascencionis Domini.
Afschrift (d.d. 8 April 1593), op papier – naar een afschrift d.d. 5 april 1593, door mr. Sijger ter Steghe – gewaarmerkt door C. Kiste, schulte te Ruinen.
09 1509 Mei 30
Roloff van Munster, “amptman to Coverde end slandss van Drenthe”, oorkondt dat op het lotting “Gesworen Maendach to Paesschen anno LXXXIIII” door drost en etten ten opzichte van de erfenis van Jann Polman uitspraak is gedaan, dat volgens leenrecht een man aan zijn vrouw geen “erflick”goed mag verkopen of geven zonder toestemming der erfgenamen.
In dem jaer XVc ind negenn up Woensdach in den Pinxsteren.
10 1517 Maart 24 of 1518, Maart 23
Bherent van Monster heer te Rhunen erkent te hebben verhuurd aan Zeijno Wolffs en Luitgart e.l. een hofstede in zijn heerlijkheid in de Oesterstrate geheeten Gructeringe tegen een tins van 40 oude Vlaamschen; met bepaling dat de hofstede aan B. v. M. vervalt wanneer 2 malen achtereen de tins niet is betaald. In 1517 viel St. Benedictus op Zaterdag voor Laetare, in 1518 op Judica
Gegeven in de jhare unsses Heeren duisent vijfhundert ende soventijne des Dinxdags nae sancte Benedictus in der vasten.
11 1518 Mei 4
Bernt van Munster heer te Ruynen knape verklaart Helmich Polmans, na de dood van zijn vader Symon Polman, te hebben beleend met de 3 erven c.a. in zijn heerlijkheid: de Nyenhoff, Ludderinge en Habeldinge c.a., en hulde van hem te hebben ontvangen.
Met vermelding als leenmannen van Reynolt de Voss van Steynwick, Johan […] en Egbert Wanynge.
Gegeven in den jaer unses Heren duysent vyffhundert achtyene des erstenn daichs na Inventionis Crucis.
12 1548 Oktober 21
Henrick van Munster heer te Ruenen verklaart Johan Ovinck, als momber van de minderjarigen Symon Polman, na de dood van Symons vader Anthonius Polman, tegen vol heergewaad te hebben beleend met de 3 erven in zijn heerlijkheid: de Nyenhof, Ludderinge en Habeldinge c.a., en hulde van hem te hebben ontvangen.
Met vermelding als leenmannen van Rolof van den Cloester Reyntsz. en Johan Kolle. Gegeven in den jaren onss Heren XVc ende XLVIII den XXIden Octobris.
13 1550 April 14 of Augustus 11
Hindrick van Munster heer te Ruenen verklaart Caspar van Scheele, na de dood van zijn moeder juffer Anna van Welvelde anders genaamd van Scheele, te hebben beleend met de goederen, door haar voorvaderen van hem en de heerlijkheid Ruenen in leen gehouden: de hof te Welvelde, het goed thor Beke, de LutkeHulscher, Sterkesloe, het huis thor Haer en dat Velthues.
Met vermelding als leenmannen van Rolof van den Cloester en Johan Ovinck.
Gegeven in den jaren onss Heren XVc ende vyftich up dach Tyburty.
14 1550 April 14
Caspar van Scheele verklaart, na zijn belening door Hindrick van Munster heer te Ruenen met de hof te Welvelde, het goed thor Beke, de Lutke Hulscher, Sterkesloe, het huis tor Haer en dat Velthuys, vroeger door zijn voorvaderen van de heerlijkheid van Ruinen ter leen ontvangen, heergewaad betaald en de eed als leenman gedaan te hebben, die hij thans herhaalt en op verzoek in een bezegelde acte zal bevestigen.
Actum et datum thon Oldenhave up dach Tiburty et Valeriani der hilligen marterer, anno XVc ende vyftich.
15 1550 September 25
Hendrick van Munster heer te Runen verklaart Johan van den Cloester, na de dood van zijn vader Reynalt van den Cloester, te hebben beleend met de goederen en grove en smalle tienden c.a. te Ghees in het kerspel Oesterhesselen, die wijlen Reynt de Vos* in gebruik had, en hulde van hem te hebben ontvangen.
Met vermelding als leenmannen van Rolof van Echten en Rolof van den Cloester. Gegeven in den jaeren onss Heren dusent vyfhundert ende vyftich den XXVten Septembris* .
16 1551 Mei 23
Henrick van Munster heer te Runen verklaart Herman van Welvelde, na de dood van zijn vader Seyno van Welvelde, te hebben beleend mer het erf c.a. Bertholdinge in het kerspel Borne en het goed Aeldinge in het kerspel Daelen, door Hermans voorvaderen van hem en de heerlijkheid Runen in leen gehouden.
17 1157 Augustus 3
Henryck van Munster heer te Ruenen verklaart Sijmon Polman Helmychess., na de dood van zijn “hulder”Roloff van Wterwych, te hebben beleend met de goederen en grove en smalle tienden c.a. te Ghyes, in het kerspel Oesterhesselen, die wijlen Johan Polman gebruikte, en hulde van hem te hebben ontvangen.
Met vermelding als leenmannen van Rolooff van den Cloester enn Johan Ovijnck. Ghegheven in den jaere uns Heeren 1557 den 3 Augusti.
18 1603 December 5
Ridderschap en Steden van Overijssel verklaren Evert vann Donseler, als gevolmachtigde van Hendrick van Munster, na het overlijden van diens vader Hendrick van Munster, te hebben beleend mer de heerlijkheid en het gerecht te Ruynen enz. (zie regest nr. 6), en dat hij aan hun gecommitteerden hulde heeft gedaan.
Met vermelding als leenmannen van Unico van den Ruitenberch en Johann Kockman.
Gedaen bynnen Swolle, den vyfften Decemb: 1603.
20 1642 Augustus 2
Hijlbert Roleffs verklaart te hebben overgedragen aan Wijrich von Bernsaw, heer tot Bellinckhaven en Rhunen, zijn recht op een molenberg met een kampje, genaamd de Monnekemohlenbergh, door hem verkregen van Antony Polman kapitein en Bouwe Tiddens executeur, en door dezen in erfpacht ontvangen van het landschap Drenthe.
21 1645 Mei 9
Henrich Mönster Wilhelm von Bernsaw, heer te Runnen en Geerdt Haffemän komen overeen dat Geerdt het bouwhuis en turfschuur (“bawhauss sambt dem törffschöppen”) van de heer zal afbreken en herbouwen, waarbij hij de goede afbraak mag gebruiken, voor 210 guldens en vrij bier en voeding.
Actum auf dem Hausse Oldenhoefe den 9 Meij anno 1645.
22 1681 Februari 23
Wilhelm Henrik prins van Orange en Nassau etc., erfstadhouder, verklaart Johan Albricht, graaf toe Schellardt, heer van Dorewaart etc., kolonel, gouverneur der stad Steenwijck, als gevolmachtigde van Frans Kasper graaf van Schellardt toe Obbendorp, heer van Muggenhuisen, Grinten etc., generaal-wachtmeester van de keizer en veldmaarschalk van den hertog van Nieuburg, en Margareta van Bernsauw toe Ruijnen, e.l., namens de Staten van Overijssel te hebben beleend met de heerlijkheid en het gerecht te Ruijnen enz. enz. ( zie regest nr. 6); en dat hij (F. K. v. S.) aan de “lieutenant van de leenen” mr. Jacobus Vriesen hulde heeft gedaan.
Met vermelding als leenmannen van Albert Antoni baron van Pallant en Theodorus Huete j.u.d.
Gegeven binnen Zwolle in den jare sestijnhundert een en tagentigh den drie en twintigsten Februarij.
23 1681 Juli 28
Wilhelm Hendrick prins van Orange en Nassau etc., erfstadhouder, verklaart Bernard Sassenraat bijgenaamd Luunink, als gevolmachtigde van Frans Kaspar Adriaan graaf van Schellardt, heer van Muggenhuijssen, Gremptin en Hestorff, en Margareta Gertruit Maria van Bernsauw e.l., na het overlijden van haar vader Hendrick Munster Wilhelm van Bernsauw heer te Ruijnen, Bellinghaven, Haffen en Mehr, namens de Staten van Overijssel te hebben beleend met de heerlijkheid en het gerecht te Ruijnen enz. enz. (zie regest nr. 6); en dat hij (B.S.) aan de “lieutenant van de leenen” mr. Jacobus Vriessen hulde heeft gedaan.
Met vermelding als leenmannen van Theodorus Huete j.u.d. en Hendrick Queisen.
Gedaan binnen Zwolle, in den jaere sesstijnhondert een en tagentig den acht en twintighsten Julij.
24 1687 November 5
Frans Caspar rijksgraaf van Schellart, heer te Muggenhuisen, Ruinen, Bellinckhaven en Grimptin enz. enz. oorkondt dat Manasse van Welvelde heer van Woltersum voor hem en mannen van leen, naar aanleiding van een resolutie van Ridderschap en Steden, Staten van Over-Issel, verzocht het leenverband van het erf Aeldinge in het kerspel Dalen af te mogen kopen en hij daarom het erf en de gebruiker uit het leenverband ontslaat.
Actum Oldenhave, den 5 November 1687.
25 1697 October 2
Jan Kisteman en Lucas Egberts leenmannen oorkonden, dat Frans Caspar Adriaen graaf van Schellard tot Obbendorf, heer van Runen, Bellinckhaven en Grimptin enz. enz. en Margrieta Geertruit Maria van Bernsauw, erfdochter der heerlijkheid Runen en Bellinckhaven, e.l. machtigden Philip Eernst Meijsters om namens hen van juffer Tengnagel te Campen naar leenrecht bekrachtiging te verzoeken van hun testamentaire beschikking over het erf te Exeloe in het kerspel Odoren.
Met bezegeling door de heer en de vrouw van Ruinen en haar momber, en ondertekening door leenmannen en deze 3 personen.
Actum op den huise Oldenhave, den tweeden October 1697.
26 1697 October 11
William de derde, koning van Groot-Britanien, Vranckrijck en Irlant etc., erfstadhouder, bekrachtigt de testamentaire beschikking van Frans Caspar Adriaen graaf van Schellart tot Obbendorf, heer van Ruijnen, Bellinghaven etc., en Margareta Gertruid Maria van Bernzauw e.l. ten opzichte van de heerlijkheid en het gerecht Ruinen, Budinge-, Haackswolt, het huis te Oldenhaven en andere aan genoemde provincie leenroerige goederen.
Met vermelding als leenmannen van Herman Otto Ripperda en Ernst Brandt.
Actum Stuvelaar, den elfden October 1697
27 1697 October 19
Hermen Otto Gansnet (sic) genaamd Tengnagel tot den Bonkenhaven, mede als momber en verwalter- leenheer van zijn echtgenote Elisabeth Gertruijdt Gansneb genaamd Tengnagel,
1o. bekrachtigt de aankoop van het erf c.a. Ovinge te Cralo in de marke van Pesse door Frans Caspar Adriaen graaf van Schellardt tot Oldendorff (sic), heer van Ruijnen, Bellinghoven en Grimtin etc., en Margaretha Gertruijdt Maria van Bernsaw e.l. van dr. Willem Frens en Anna Smijdt e.l. en de minderjarige kinderen van wijlen de advocaat Bernart Sassenraet genaamd Luijnink;
2o. beleent Frens Luitekens als gevolmachtigde van de graaf en de gravin van Schellardt met het genoemde erf c.a. en ontvangt van hem hulde; en
3o. bekrachtigt de testamentaire beschikking door de graaf en de gravin van Schellardt ten opzichte van het aan hem leenroerig erf c.a. te Exeloe in het kerspel van Odoren.
Met vermelding als leenmannen van Bartolt Maurits Sloot tot Ekkelshuijsen en Hendrick van Liewaerden. >Gedaen op den huijse Bonkenhaven, den 19 Oct. 1697.
28 1704 Januari 4
Godefrid de Rode en Johan Awaeter leenmannen oorkonden dat Willem Adriaen markies van en tot Hoensbroeck, heer van het Hoog- en Nederambt Gelder, erfmaarschalk van Zutphen, en Elizabeth Henriette gravin van Schellardt e.l. Bernhardt Kiers, raad en landschrijver van Drenthe, machtigden om namens hen bij de luitenant-stadhouder van Overijssel belening te verzoeken met de heerlijkheid en het gerecht Ruijnen, Buddinge- en Haexwolt, het huis te Oldenhaven c.a., door de gravin als oudste dochter geërfd van Frans Caspar Adriaen graaf van Schellardt tot Obbendorff heer van Ruijnen, Bellinghoven, Gremptin en Margaretha Gertruidt Maria van Bernsaw e.l.; welke goederen nader zijn beschreven in de leenbrieven d.d. 23 Februari en 28 Juli 1681 (zie regesten nrs. 22 en 23) en daarvoor hulde te doen.
Actum op den huijse Bellinghoven, den vierden Janrij 1704.
29 1704 juni 7
Henderick Kellen genaamd Sande en Johan Awaeter leenmannen oorkonden, dat Willem Adriaen markies van en tot Hoensbroeck, heer van Ruijnen, Philip Ernerst Meijsters machtigde om de bezitters van leengoederen der heerlijkheid Ruijnen namens hem met die goederen te belenen. Met medebezegeling door de heer van Ruinen.
Actum op den huijse Bellinghoven, den 7en Junij 1704.
30 1704 Augustus 1
De secretaris P.E. Meijsters roept – als gevolmachtigde van Wilhelm Adriaen markies van en tot Hoensbroeck als heer van Rhunen – alle leenmannen der heerlijkheid Rhunen op, om in verband met het overlijden van de graaf van Schellardt heer van Rhunen, van genoemde markies op 27 Aug. d.a.v. vernieuwing der belening te vragen.
Actum Rhunen, den 1en Augusti 1704.
31 1704 Augustus 20
Wilhelm Adriaen, markies van en tot Hoensbroeck vrijheer tot Ertbruggen, Rhunen enz. enz., verklaart Egbert Custers te Almelo te hebben beleend met het erf c.a. Storcksell in het gericht van Borne, door zijn vader en oom Jan en Lambert Coster gekocht van Lambert Luijx, en hulde te hebben ontvangen.
Met vermelding als leenmannen van Jan Kisteman en Lucas Egberts.
Actum Oldenhave, den 20en Augusti 1704.
32 1737 April 24
Johan Carsten j.u.d., stadhouder der lenen van het huis Ruijnen, verklaart Gerrit ten Cate te Almelo te hebben beleend met het erf Bekkingh in de marke van Senderen onder het gericht van Borne, waarmede zijn vader Harmen ten Cate op 2 September 1716 beleend werd; hulde te hebben ontvangen, en hem te hebben toegestaan, over dat erf voor de dagelijkse rechter te testeren.
Met vermelding als leenmannen van Wolter Kymmel en Lambert Tabingh.
Actum Assen, den 24 April 1737.
33 1743 Maart 1
Johan Werner vrijheer van Imbsen enz. en Mauritz Carl vrijheer van der Horst enz. leenmannen oorkonden, dat Jan Engelbert van Doetinchem, majoor-commandant van Ritberg, mr. Pieter Imbert te Meppel machtigde namens hem van de stadhouder der lenen van de heerlijkheid Ruynen belening te verzoeken met de pacht van 39 “landvierendeel” boter op het Bullinger slag te Staphorst, waarmede wijlen Everhardt Kockman als echtgenoot van wijlen Maria Judith Josina Glauwe op 27 Augustus 1704 werd beleend, en daarvoor hulde te doen. Met medebezegeling door J.E. v. D.
Actum Paterborn, den 1 Meert 1743.
34 1749 October 25
Philip Sudeick en Maxmilian Austerliz leenmannen oorkonden, dat Jan Engelbert van Doetinchem, majoor- commandant van Rittberg, Jan Jansen in het kerspel Heijne machtigde om namens hem van de stadhouder van de lenen der heerlijkheid Runen te verzoeken: 1. bekrachtiging van de verkoop van de botertiend uit het Bullinger slag te Staphorst, en 2. belening van de koper Albert Engberts met die tiend. Met medebezegeling door J.E. v. D.
Actum Rittberg, den 25 8bris 1749.
35 1754 juni 4
Johann Ludwig Joachim Evers, rentmeester van de markies van en tot Hoensbroeck als heer van Ruijnen en stadhouder van de lenen van die heerlijkheid, verklaart te bekrachtigen de verkoop door (A.) Camerling, predikant te Coevorden, van het gedeelte “trektijnde” waarmede hij beleend is geweest, de koper (J.) Oldenhuijs schulte van Sweelo daarmede te belenen, en van deze hulde te hebben ontvangen.
Met vermelding als leenmannen van H.J. Camerling, j.u.d. en schulte van Ruijnen, en Egbert Lucas.
In Ruijnen, den 4en Junij 1754.
36 / 1756 Maart 16
L.J. van Hambroick verklaart, als gevolmachtigde van zijn broeder den heer van Welevelt, dat het erf c.a. Velthuijs in de boerschap Hertmen en richterambt van Borne, waarmede hij op 21 October 1750 is beleend, in eigendom behoort aan baron van Heeckeren, heer van Nettelhorst, Batingen en de Heest, en hij daarom de belening van deze met genoemd erf “kan lijden”.
Op den huijze Welevelt, den 16 Maart 1700 ses en vijftig.
37 (1756 maart of April ? )
Vergelijk regest nr. 36. Joh. L. Evers, rentmeester van de markies van en tot Hondsbroeck als heer van Ruijnen, en stadhouder van de lenen van die heerlijkheid, verklaart te bekrachtigen de verkoop door baron van Hambroick heer van Welevelde van het erf Velthuijs in het gericht van Borne, boerschap Hartmann, waarmede hij de 21 October 1750 werd beleend; de koper baron van Heekeren heer van Nettelhorst, Batingen etc. daarmede te belenen; en van deze hulde te hebben ontvangen.
38 1756 November 4
Adolph Philip Zeger graaf van Rechteren vrijheer van Almelo en Vriesenveen enz. en Joan Lodewijk graaf van Rechteren heer tot Laar enz., leenmannen der provincie Overijssel “bij gebreck van vasallen des huijses en heerlikheyt Rhuinen”, oorkonden dat Albrecht graaf van IJsenborg en Budingen, generaal-majoor, en Sophia Dorethea Wilhelmina gravin van Rechteren-Almelo e.l. machtigden Nicolaas Harwig, secretaris en procureur te Vriesenveen, om namens hen van de stadhouder van de lenen der heerlijkheid Rhuinen te verzoeken: 1. bekrachtiging van hun verkoop van het erf De beide Bartelingen, in het gericht van Borne, boerschap Hathmen, aan Gerrit Hummel te Oldenzaal ; en 2. belening van Gerrit Hummel, met dat erf, waarmede de gravin van Rechteren-Almelo den 16 September 1749 beleend werd. Met medebezegeling door de graaf en de gravin van Ysenborg.
Op den huijse Almelo, den 4en November 1756.
39 1756 November 4
Claas Koek en Christijaen Nijeuwenhuis leenmannen oorkonden, dat Gerrit Hommels de procureur Nicolaas Harwich machtigde om namens hem van de heer van Runen belening te verzoeken met het erf Bertelink in Hartme in het gericht van Borne door hem aangekocht van Sophia Dorothea Wilhelmina van Rechteren, met machtiging van haar man Albregt August graaf van Isenborg-Budingen; en voor hem hulde te doen.
Aldus gedaen Oldenzael den 4 November 1756.
40 1756 November 6
Johan Ludwig Evers, rentmeester van de markies Van en tot Hondsbroeck vrijheer van Ruijnen en Ruijnerwold enz. en stadhouder van de lenen van die heerlijkheid, verklaart: 1. te bekrachtigen de verkoop door Albrecht August graaf van IJsenborg en Budingen en Sophia Dorothea Wilhelmina gravin van Rechteren-Almelo e.l. van het erf de beijde Bartelingen, in het gericht van Borne, boerschap Hartmann, waarmede de gravin 16 September 1749 werd beleend; 2. Nicolaas Harwich als gevolmachtigde van de koper Gerrit Hummel te Oldenzaal daarmede te belenen; en 3. van hem hulde te hebben ontvangen. Met vermelding als leenmannen van Egbert Lucas en Hilbert Woerdinge.
Op den huijse Ruijnen, den 6en November 1756.
41 1756 November 6
Joh. L. Evers, rentmeester van de markies Van en tot Hondsbroeck en stadhouder van de lenen der heerlijkheid Ruijnen , verklaart aan A.J.H. baron van Heekeren, heer van Nettelhorst, Batingen en Heest toestemming te hebben verleend om het erf Velthuijs in het gericht van Borne, boerschap Hartmen, gedurende 6 jaren te verbinden tot een bedrag van 6500 gl., door hem opgenomen van Jan Ten Cate Janssoon te Almelo en Judith Coster e.l.
Actum op den huijse Ruijnen, den 6en November 1756.
42 (1757,………………..?)
Zie de noot bij nr. 54 van de inventaris. Johann Ludwig Evers, stadhouder der lenen van Frans Arnoldt markies van en tot Hondsbroeck en stadhouder van de lenen der heerlijkheid Ruijnen en Ruijnerwold, verklaart:1. Henrick Wilhelm Camerling, schulte van Ruijnen, te belenen met den Nijenhoff c.a. in de marke van Ruijnen, waarmede zijn vader wijlen mr. H.J. Camerling de 6 Juni 1745 werd beleend; 2. hem toe te staan deze goederen te vervreemden; 3. van hem hulde te hebben ontvangen.
Met vermelding als leenmannen van Egbert Lucas en Hilbert Woerding.
Op den huijse Oldenhave, den …………..
43 1757 Maart 3
Johann Ludwig Evers, rentmeester van Frans Arnoldt markies van en tot Hondsbroeck als vrijheer van Ruijnen en Ruijnerwold, stadhouder der lenen van “den huijse Oldenhave”, verklaart Lucas Homann schulte van Rolde en Rolder dingspel te hebben beleend met een deel der grove en smalle tienden te Gees, in het kerspel Oosterhesselte, waarmee wijlen zijn moeder Anna Hiddinck op 9 December 1750 is beleend geweest; en van hem hulde te hebben ontvangen.
Met vermelding als leenmannen van Egbert Lucas en Hilbert Woerdinge.
Op den huijse Oldenhave, den 3en Martij 1757.
44 1761 December 8
Jan Laurens Solner j.u.d. en Laurentius Teodoor Nilandt leenmannen oorkonden, dat Casparus van Wulften en Henricus Franciscus Zeyger, mr. Everwyn Hendrik van den Poel, secretaris der stad Vollenhooven, machtigden om: 1. belening te verzoeken voor C. v. W. bij de leenkamer van Overijssel met het erf c.a. Grevink en voor H.F.Z. bij de leenkamer van het huis Ruinen met het erf c.a. Velthuis , met welke goederen A.J.H. baron van Heeckeren namens zijn vrouw te voren was beleend geweest; en 2. voor hen hulde te doen.
Den 8 December 1761.
45 1764 Februari 1
Nicolaas van Hattum j.u.d. en Willem Reinder Lipperus j.u.d. leenmannen oorkonden, dat Gerard Joan Zeiger mr. Burchard Jan van Hattum machtigde om 1. namens hem bij de leenkamer der heerlijkheid Ruijnen en Ruijnerwolt belening te verzoeken met het erf c.a. Velthuijs, in het gericht van Borne, boerschap Hartmen, waarmede wijlen zijn broeder Henricus Franciscus Zeiger op 11 Aug. 1762 beleend werd, en 2. voor hem hulde te doen.
Gedaan binnen Zwol, den 1 Februari 1764.
46 1764 Maart 24
Georg Hendrik Hein en Antoni Warders leenmannen oorkonden, dat Ootmar ten Cate te Almeloo Jan Willem Harwig machtigde om: 1. namens hem bij de leenkamer der heerlijkheid Ruijnen belening te verzoeken met het erf Hulscher, in de marke van Sendern, in het gericht van Borne, waarmede hij op 24 April 1737 beleend werd, en 2. voor hem hulde te doen.
Actum binnen dese stad van Almeloo, den 24sten Mert 1764.
47 1764 Maart 24
Georg Henrik Hein en Antoni Warders leenmannen oorkonden, dat Gerrit ten Cate te Almeloo Jan Willem Harwig machtigde om: 1. namens hem bij de leenkamer der heerlijkheid Ruijnen belening te verzoeken met het erf Bekkink in de marke van Sendern, in het gericht van Borne, waarmede hij op 24 April 1737 beleend werd; en 2. voor hem hulde te doen.
Actum binnen dese stad Almeloo, den 24sten Mert 1764.
48 1764 Mei 7
Tonnis Hulshoff en Adam Jansen ten Cate leenmannen oorkonden, dat Gerard Joannes Hummels Christiaen Verhof machtigde om: 1e namens hem van de heer van Ruinen te verzoeken a. belening met het erf Bartelink in Hartme, in het gericht van Borne, in plaats van wijlen zijn op 14 December 1757 overleden vader Gerrit Hummels, en b. vergunning om daarover te beschikken; en 2e voor hem hulde te doen.
Actum Borne, den 7 Maij 1764.
49 1764 Juli 22
A.J. ten Cate en T. Hulshoff, leenmannen, oorkonden, dat Seger Eusebius baron van Hambroick, heer van Weleveld, Alb. Staverman predikant te Wapsterveen machtigde om: 1. namens hem van de heer van Rhunen belening te verzoeken met de havezate Weleveld, 2. daarvoor hulde te doen, en 3. vergunning te vragen tot de verkoop der havezate.
Op den huise Weleveld, den 22 Julij 1700 vier en sestig.
50

Willem prins van Orange en Nassau erfstadhouder verklaart H.J. van der Wyck – als gevolmachtigde van de drost van Coeverden en Drenthe Alexander Carel graaf van Heiden tot Laarwoud, als leendrager vanwege Ridderschap en Eigenerfden van Drenthe – namens de Staten van Overijssel te hebben beleend met de Heerlijkheid Ruinen, gelijk Coert Winkel op 6 Juni a.c. beleend is geworden, en dat hij (H.J.v.d.W.) hulde heeft gedaan.
Met vermelding als leenmannen van D. Bentinck tot Diepenheim en Harm: Assinck.
Den 27 Julij 1700 agt en sestig.
Oorspr.; het “zeegel der Iheenen” is verloren. Op de plique “de onderteekeninge van onsen lheengriffier ” (J. Jordens).
51 1769 Juni 7
Egbert Lucas Westbrink en Hilbert Jans Woerdinge van Ruinen, leenmannen, oorkonden, dat Jan Geerts Oosterhuis, Remmelt Alberts van het Laer (beiden wonende te Oldenhave bij Ruinen), Hendrik Luigies en Reinder Roelofs (van Ruinerwolt) en Leffert Roelofs (van Ruinen ) benoemden tot leenvazal van het huis Ruinen Leffert Roelofs; machtigden H.W. Camerlingh schulte van Ruinen om namens hen van de drost van Drenthe A.C. rijksgraaf van Heiden heer van Laerwout, als namens Denthe leendrager der heerlijkheid Ruinen, belening te verzoeken van Leffert Roelofs met de hun gezamenlijk in eigendom behorende 4/5 in 2 veldgerechtigheden, bestaande in 2/23 inhet veld achter Oldenhave, door hen aangekocht van Kourt Winkel en consorten en door dezen op 16 Maart 1867 in openbare verkoop aangekocht van H.W. Camerlingh, schulte van Ruinen; en daarvoor aan de leenheer hulde doen.
In Ruinen, den 7den Junij 1700 negen en sestig.
52 1769 Juni 9
Egbert Lucas Westbrink en Hilbert Jans Woerdinge leenmannen oorkonden, dat Albert Egberts te Staphorst H.W. Camerlingh schulte van Ruinen machtigde om 1e namens hem van de drost van Coevorden en van Drenthe A.C. rijksgraaf van Heiden heer van Laarwout, als namens Drenthe leendrager van de heerlijkheid Ruinen, belening te verzoeken met een botertiend van 39 “land-vierendeel” boter op Staphorst en (in het) Bullinger slag, waarmede hij op 24 Maart 1764 werd beleend, en 2e daarvoor hulde te doen.
In Ruinen, den 9den Junij 1700 negen en sestig.
53 1769 Augustus 7
Jan ten Cate Jansoon en Thomas ten Cate leenmannen oorkonden, dat Oortmar ten (Cate) te Almeloo Jan Frederik Hein richter der heerlijkheid Almeloo machtigde om 1e namens hem van de landdrost van Drenthe graaf van Heijden, als namens Drenthe leendrager der heerlijkheid Ruinen, belening te verzoeken met het erf Holscher in de marke van Senderen, onder het gericht van Borne, waarmede hij op 25 Maart 1764 werd beleend, en 2e daarvoor hulde te doen..
Actum Almeloo, den 7den Augusti 1769.
54 1769 Augustus 7
Jan ten Cate Jansoon en Thomas ten Cate leenmannen oorkonden, dat Gerrit Koster Egb. zoon te Almeloo Jan Frederik Hein, richter der heerlijkheid Almeloo, machtigde om namens hem van de landdrost van Drenthe graaf van Heijden, als namens Drenthe leendrager der heerlijkheid Ruinen, belening te verzoeken met het erf het Storksel in het gericht van Borne, waarmede hij op den 24 December 1759 werd beleend, en 2. om daarvoor hulde te doen.
Actum Almeloo, den 7den Augusti 1769.
55 1769 Augustus 7
Jan ten Cate Jansoon en Thomas ten Cate leenmannen oorkonden, dat Gabriel ten Cate te Almeloo Jan Frederik Hein, richter der heerlijkheid Almeloo, machtigde om: 1. namens hem van de drost van Drenthe graaf van Heijden, als namens Drenthe leendrager der heerlijkheid Ruinen, beleningte verzoeken met het erf Bekkink in de marke van Senderen, onder het gericht van Borne, waarmede wijlen zijn vader Gerrit ten Cate op 25 Maart 1764 het laatst beleend werd, en 2. namens hem hulde te doen.
56 1769 Augustus 11
Alexander Carel graaf van Heiden, heer van Laarwout, drost van Coevorden en Drenthe, namens Drenthe heer van Ruinen en Ruinerwold, verklaart: 1. Jan Fredrik Hein, richter der heerlijkheid Almelo, als gevolmachtigde van Gabriel ten Cate te Almelo te hebben beleend met het erf Bekking in de marke van Senderen, onder het gericht van Borne, waarmede wijlen zijn vader Gerrit ten Cate op 25 Maart 1764 het laatst beleend werd; – 2. de hulde van J.F.H. te hebben ontvangen.
Met vermelding als leenmannen van Sigismund Pierre Alexander graaf van Heiden heer van Reinenstein en Lucas Homan schulte te Rolden.
Actum Laarwout, den 11 Augustus 1769.
57 1770 Augustus 24
Alexander Carel graaf van Heiden, heer van Laarwout, drost van Coevorden en Drenthe, namens Drenthe heer van Ruinen en Ruinerwold, verklaart: 1. mr. Coenraad Wolther Ellents, raad-secretaris en ette van Drenthe, namens zijn vrouw Gesina Oldenhuis te hebben beleend met het deel trektiend onder Gees, waarmede wijlen haar vader L. Oldenhuis op 4 Februari 1763 het laatst werd beleend; 2. de hulde van hem te hebben ontvangen; 3. ten opzichte van dit leen te hebben bekrachtigd de huwelijksvoorwaarde tussen mr. C.W. Ellents en diens vrouw gesloten tot het elkander verstrekken van de lijftocht der hun in leen toebehoorende goederen; en voorts 4. hun te hebben vergund, over dit leen te beschikken.
Met vermelding als leenmannen van R. baron van Echten heer van Echten en Echtens-Hogeveen en mr. J. Kimmel.
Actum Assen, den 24sten Augustus 1770.
58 1776 October 19
Willem prins van Orange en Nassau erfstadhouder verklaart 1e J. de Blécourt “commis van ’s lands magasyn en secretaris te Coevorden” – als gevolmachtigde van Sigismund Pierre Alexander graaf van Heyden etc., drost van Coevorden en Drenthe, als leendrager van Ridderschap en Eigenerfden van Drenthe – namens de Staten van Overijssel te hebben beleend met de heerlijkheid Ruinen, waarmede S.P A. v. H.’s vader op 27 Juli 1768 het laatst beleend was geworden, en 2e dat hij (J. d. B.) hulde heeft gedaan.
Met vermelding als leenmannen van H.J. Krop en H. Habers.
Den 19 oktober 1700 ses en seeevintig.