coevorden

Coevorden, stad en heerlijkheid

Vroegste geschiedenis
Het is niet precies bekend wanneer Coevorden gesticht is. Naar Nederlandse begrippen moet het een heel oude nederzetting zijn. Immers, Friesland, Groningen en Drenthe werden al in voorhistorische tijden gescheiden van het aangrenzende Duitsland en Overijssel door uitgestrekte veenmoerassen waar maar op één plaats doorheen te komen was: bij de samenvloeiing van drie beken, het Drostendiep, Loodiep en Schoonebeker Diep die vandaar gezamenlijk uitliepen op de Overijsselse Vecht. Een dergelijke plaats is buitengewoon geschikt voor bewoning en vooral ook voor de vestiging van een verdedigingswerk: hij beheerst de er langs lopende weg, zowel militair als commercieel, terwijl langs de beken landbouw mogelijk was. Er zal daarom al vroeg een versterkte plaats aangelegd zijn, met daarnaast, in de bescherming van de versterking, een nederzetting van boeren en handelaars. Picardt veronderstelde dat Coevorden door de Romeinen gesticht is, maar daarvan is geen bewijs te vinden, in natura noch in geschrifte. De oudste bekende vermelding van Coevorden als nederzetting dateert van 1148, in een akte waarin bepaald wordt dat de betaling van een aan het klooster van Corvey (in Westfalen) verschuldigde pacht moet geschieden “apud Koiforde in domo quam nunc habet mulier quaedam nomine Sigardis”

De eerste expliciete vermelding van Coevorden als een versterkte plaats dateert van 1159; paus Adrianus IV bevestigt dan de bisschop van Utrecht in het bezit van onder andere het “castrum Cuforde et terram de Drenthem” . Drenthe was op dat moment al meer dan een eeuw bezit van de bisschoppen van Utrecht; in 1046 had koning Hendrik III het graafschap Drenthe definitief aan de Utrechtse kerk geschonken.

Coevorden was toen dus duidelijk al een militair steunpunt, d.w.z. de bisschoppelijke prefect bewoonde er een huis met bijbehorende boerderij en verdedigingswerken. Aan de hand van opgravingen, die ter gelegenheid van de restauratie van het kasteel in 1972 verricht zijn, mag aangenomen worden dat de bouw overeenkwam met die van de gebruikelijke vroeg- middeleeuwse versterkte huizen. C.F. Janssen beschrijft dit als volgt:

“Zijn burg zal, naar wij aan de hand van opgravingen voorlopig mogen aannemen, behoord hebben tot het type dat in Engeland ‘motte and bailey’ genoemd wordt. Dit type versterkingen bestaat uit twee elementen. Het eerste, de motte, is een kunstmatige heuvel in de vorm van een vrij steile kegel, met afgeplatte top. Op de top staat een toren, die hier wel van hout zal zijn geweest. De voet van de kegel was omgeven door een gracht. Op de grens van gracht en water stond een palissade. De bailey was een aansluitende, eveneens omgrachte, meestal halfronde voorhof, naar buiten toe beschermd door een wal, voorzien van ten minste een palissade op de top en meestal ook aan de voet. Ophaalbruggen en (houten) poortgebouwen verzekerden en beveiligden de verbinding tussen motte en bailey en tussen bailey en buitenwereld. De bailey omvatte de woon- en bedrijfsgebouwen; een kasteel was in die dagen ook en niet in de laatste plaats een boerenbedrijf. De toren op de motte was een laatste wijkplaats.”

Bij deze versterkte woonplaats hebben zich zonder twijfel boeren en handelaars gevestigd, al is het heel goed mogelijk dat hier al een dorp bestond – gezien de gunstige ligging – nog voordat het kasteel gebouwd werd.
Het bisdom Utrecht heeft zijn macht in Drenthe en Coevorden niet ongestoord kunnen uitoefenen.
De Coevorder prefecten streefden naar zelfstandigheid, welk streven nog versterkt werd toen omstreeks 1140 het burggraafschap van Coevorden een erfelijk leen van het bisdom werd. Omstreeks 1345 verpandde de bisschop zelfs aan Reynold III de leenheerlijke rechten over kasteel en gebied van Coevorden. In 1395 deed echter bisschop Frederik van Blankenheim aan Reynold IV van Coevorden het aanbod, de verpanding van de leenheerlijke rechten af te lossen, zodat de heerlijkheid weer onder Utrechts gezag zou vallen. Reynold weigerde en werd daarop door de bisschop – die zich voor dit doel van de steun van onder andere de Sallandse steden Kampen, Zwolle en Deventer verzekerd had – gedwongen van al zijn rechten afstand te doen. Coevorden kreeg als gouverneur weer een bisschoppelijk ambtenaar. Deze droeg de titel van ambtman of drost van Coevorden en Drenthe, met als ambtsgebied de gescheiden eenheden van de heerlijkheid Coevorden en de landschap Drenthe.
Gedurende de door het archief bestreken tijd heet hij doorgaans drost, zodat hij in het vervolg ook met die titel zal worden aangeduid. Een van de voorwaarden waarop bisschop Frederik van Blankenheim de steun van de Sallandse steden had verkregen, was dat de drost zou worden aangesteld in overleg met en met goedkeuring van deze steden en van de Landschap zelf. De drost diende uit Drenthe of Overijssel afkomstig te zijn; in de praktijk werd het tot 1505 een Sallander. Een gevolg daarvan is geweest dat Coevorden zich duidelijker in bestuursvorm en recht op Overijssel ging richten. Dat was des te meer te verwachten omdat in Drenthe geen voorbeeld te vinden was: Drenthe had geen handeldrijvende steden, geen invloedrijke landadel, maar een in aantal geringe en in betrekkelijk geïsoleerde dorpen wonende bevolking. Coevorden heeft dan ook tot 1791 het Overijsselse landrecht toegepast. Anderzijds heeft het zich, onder voorbehoud van formele onafhankelijkheid, steeds naar Drent he gevoegd; Coevorden betaalde Drentse belastingen. Dit heeft er toe geleid dat de stad, nadat het Overijsselse landrecht vervangen was door het Drentse, ook formeel in de landschap Drenthe werd opgenomen.
Bij het kasteel van de heren van Coevorden lag, zoals verondersteld, een dorpje. Sinds wanneer is niet bekend. Wel wordt de veronderstelling bevestigd door schriftelijke vermeldingen. Genoemd is al een akte van het jaar 1148. In de Quaedam narracio de Groninghe, de Thrente, de Covordia etc. is eveneens sprake van een “castrum Covordie” waaromheen huizen liggen die aangeduid worden als “villa” of “suburbium”. Ook de kroniek van Emo en Menko spreekt van het “castellum” en de “villa Covordie’. “Villa” betekent in het middeleeuws Latijn “dorp”. Coevorden bestond dus oorspronkelijk uit een versterkt huis met een daarbij liggend dorp, en wel een dorp waarvan de bewoners, zoals in elk Drents en Over ijssels dorp, een buurschap met marke vormden.
Bevestiging hiervan wordt aangedragen door Magnin die twee akten publiceert: een van 22 juli 1276 waarin het gebruik van de weide “in marca Covordie” geregeld wordt, en een van 4 mei 1315 waarin sprake is van de “markenote … Covordie”. Tegen het einde van de 13e eeuw wordt echter melding gemaakt van de “statt Coevorden” en de “oppidum Covordie”, terwijl in een schenkingsakte van 1372van “borgeren unde buer van Coevorden” gesproken wordt. Het dorp is dan kennelijk uitgegroeid tot een plaats met een te verdedigen wal om het “kasteel” en de huizen heen, zoals gebruikelijk bij een middeleeuwse stad.

Op 30 december 1407 verleende bisschop Frederik van Blankenheim bij charter aan de burgerij van Coevorden een aantal rechten; uit deze akte blijkt dat Coevorden al eerder privileges van de Utrechtse bisschoppen had ontvangen. Deze eerdere verlening zal vermoedelijk plaats gevonden hebben ter gelegenheid van de formele overgang van dorp naar stad. Hiervan is echter niets overgeleverd; evenmin is bekend wanneer en hoe de stad en haar omliggend gebied tot een van Drenthe en Overijssel los staande “stad en heerlijkheid” zijn geworden.

1547 September 6
Reynnolt van Bourmania, drost te Couorden en van het land van Drenthe, verklaart met de 24 etten te hebben bepaald:
1e dat wie een “ordeell” wint op het volgend lotting zijn volledig bewijs moet inleveren, opdat dan uitspraak worde gedaan;
2e dat, wanneer drost of 24 etten een eindvonnis hebben uitgesproken en geene exceptie dit belet, de drost tot uitvoering van het vonnis zal overgaan en niet nogmaals in dezelfde zaak vonnis zal worden gewezen.
In den jaer ende dach ut supra (op den lottinge sunte Magnus tot Anloe anno XLVII).
Oorspronkelijk (inv. nr. 5). Het zegel van den drost is verloren.

1577 Juli 12
Claes Bernyer schulte te Couorden en op Schonebeke oorkondt,dat Roloff van Hakesberghe en Swane e.el overdroegen aan Cornelis van Dwynghell en Grete e.l. een stuk “gardenlants” in het gericht van Couorden buiten de Sallantporte.
In den jare uns Heren dusent vyffhundert soeven ende tsoeventych de XII Julius.
Oorspr., met geschonden zegel in bruine was en onderteekening van den schulte.
1579 Mei 5
Claes Bernyer schulte Couorden en op Schonebeke oorkondt, dat Pauwell Degenner, Hyndryck Vluggen de junge en Hyndryck Klumpen, allen in qualiteit, overdroegen aan Hyndryck Klumpen hun aandeel in een “husstede” c.a. en een kerkstoel te Couorden.
In den jare uns Heeren dusent vyffhundert negen unde tsoventich den vyfften May.
Oorspr., met geschonden zegel in bruine was en onderteekening van de schulte.
De drost verhuisde formeel (wonen deden de drosten doorgaans op hun eigen bezittingen) naar Assen, terwijl in Coevorden een militaire gouverneur kwam die tevens de verantwoording kreeg voor de overige versterkingen in het noord-oosten van de Republiek. De drost bleef de hoogste burgerlijke gezagsdrager in Coevorden. Zie b.v. Veenhoven, Historie van Coevorden, p. 57.. Coevorden was als grensvesting een belangrijk verdedigingspunt, zodat – zeker tijdens de door dit archief bestreken periode – de belangen van de burgerbevolking ondergeschikt waren aan de militaire belangen. In termen van bestuur vertaald betekent dit dat de drost gedurende de tijd dat hij ook commandant van de vesting was, het laatste woord had in alle bestuursaangelegenheden. Na 1596 had de militaire commandant een beslissende stem in alle zaken die de defensieve functie van de vesting raakten; de hoogste instantie in zuiver burgerlijke aangelegenheden bleef uiteraard de drost.
Voordat nader op het burgerlijk bestuur wordt ingegaan is het goed een kort overzicht te geven van de ontwikkeling van het kasteel en de gevolgen daarvan voor de stad, al valt dit gedeelte van Coevordens geschiedenis buiten het bestek van deze inventaris. Het kasteel was, zoals hiervoor al beschreven, van oorsprong vermoedelijk een zogenaamde motte and bailey. Na 1402 is deze motte en bailey door de bisschop verbouwd. Nauwkeurige gegevens daarvan zijn niet overgeleverd. C.F. Janssen veronderstelt aan de hand van opgravingendat de toren op de motte gesloopt is en de heuvel verlaagd en verbreed, waarbij de gracht naar buiten verlegd werd. De wal om de voorburcht, de bailey, bleef bestaan en een tweede wal werd opgeworpen langs de binnenzijde van de gracht, uit de uitgegraven grond. Deze wal en die van de voorburcht vormden samen een vierkant met afgeronde hoeken. Binnen de omwalling van de hoofdburcht werd een stene n kasteel gebouwd bestaande uit een woonhuis, een kapel, vier hoektorens, een poortgebouw en een ringmuur. De bedrijfsgebouwen bleven in de voorburcht gehandhaafd.
Sindsdien is er aan het kasteel veel verbouwd en verbeterd. Voor het plaatsje Coevorden zelf hadden deze verbouwingen weinig gevolgen. Die kwamen pas toen de Spaanse landvoogd Verdugo na zijn ambtsaanvaarding in 1581 besliste dat de vesting aan de eis der tijden moest worden aangepast. Tot dan was de situatie ongeveer geweest zoals de kaart van Jacob van Deventer laat zien, die op gegevens van na 1551 gebaseerd is: een kasteel met een gracht er omheen, en daarnaast de plaats Coevorden, eveneens omgeven door een gracht, zij het een kleinere. Verdugo liet het kasteel voorzien van vijf bolwerken en een bijna 30 meter brede gracht; de stad zelf werd omringd door schansen. Dit was de situatie die prins Maurits in 1592 aantrof en die op de kaart uit dat jaar is weergegeven. De versterking was effectief; Maurits had er twee maanden voor nodig om de stad in te nemen. Na de verovering bleek de stad van alle oorlogshandelingen sterk geleden te hebben.
Veel huizen waren verdwenen, in brand geschoten of door de verdedigers afgebroken om een vrij schootsveld te hebben. Ook van de infrastructuur (wegen, waterafvoeren) was niet veel meer over. Er werd dan ook van de gelegenheid gebruik gemaakt de gehele stad volledig nieuw op te bouwen en in haar geheel als vesting uit te voeren volgens de nieuwste opvattingen op dat gebied; voor de noordelijke Nederlanden was Coevorden uiterst belangrijk als “slot op de deur naar het Noorden”. Deze situatie heeft, zij het met kleine veranderingen, tot het eind van de 19e eeuw voortbestaan. Na 1814 had Coevorden als vesting niet veel waarde meer; er was geen oorlogsdreiging, tegen de nieuwere militaire middelen bood de opzet van de vesting weinig verdediging. De vestingwerken werden dan ook verwaarloosd, het garnizoen in 1854 opgeheven. In 1870 werd een begin gemaakt met het slechten van de wallen. Het kasteel was al in de Franse tijd in particuliere handen geraakt en inwendig verbouwd, d eels ook gesloopt. Wat op het ogenblik als kasteel in Coevorden te zien is, is een reconstructie van het gebouw zoals het er in de 17e eeuw moet hebben uitgezien.
Terug nu naar het burgerlijk bestuur. Dit zal vermoedelijk uit de buurschapsorganisatie gegroeid zijn. Zoals gezegd was Coevorden in eerste aanleg een buurschap met marke, een basis die ook toen het dorpje tot een stad(je) was uitgegroeid, is blijven bestaan. Gerechtigd in de marke waren namelijk de eigenaars van soltsteden, huisplaatsen binnen het dorp die recht gaven op waardelen in de marke. Deze soltsteden zijn ook in de stad Coevorden blijven bestaan, wat bij veranderingen in stratenplan en bebouwing af en toe aanleiding tot conflicten is geweest. Overeenkomstig de situatie elders in Drenthe mag aangenomen worden dat de inwoners van het vlek Coevorden aanvankelijk in alle zaken met betrekking tot het beheer van hun marke gezamenlijk beslist hebben, al zal de militaire commandant ook daar zijn invloed hebben doen gelden. Voor de behartiging van lopende zaken zullen jaarlijks of voor lange re termijn gekozen vertrouwenspersonen aangesteld zijn – een functie die in de overgebleven boermarken nog steeds bekend is als volmacht.
Voor 1407 is van dit alles niets met zekerheid vast te stellen. De privilegebrief van 1407 onthult echter een bestaande structuur. Voor bestuurshandelingen zijn “scepene” verantwoordelijk, ook met betrekking tot het beheer van de marke: ze “moegen die marcke besetten” . De term “schepenen” wijst er op dat Coevorden toen al niet meer als dorp beschouwd werd. Aanleiding daartoe zal zijn geweest dat de ligging van de plaats op een belangrijke handelsroute – je kon er letterlijk niet omheen – leidde tot de instelling van een vrije markt; Gratama merkt op dat dit een van de kenmerken is die in de middeleeuwen een stad onderscheiden van een dorp Naast de term “schepenen” verschijnen in de stukken uit de 16e eeuw de benamingen “burgemeesters”, “raad”, “gemene meente” en “gezworen meente”.
In het archief worden de burgemeesters voor het eerst genoemd in een akte van 1509. Aangenomen mag worden dat hier sprake is van een verschuiving in benaming en dat de burgemeesters identiek zijn met de schepenen, de uitvoerders van het dagelijks bestuur. Gratama wijst in dit verband op een akte uit 1586waarin in de aanhef als oorkonders optreden de drost met burgemeesters en gezworen gemeente, terwijl als ondertekenaars genoemd worden de drost met schepenen en gezworen gemeente. De naam schepenen verdwijnt. Alleen in vaste formules met betrekking tot het verlijden van akten door het stadsbestuur, de vrijwillige rechtspraak, blijven de schepenen optreden en dat dan ook tot 1795; de akten worden verleden voor burgemeesters, schepenen en raad. Evenzo ontwikkelt de raad zich tot de gezworen gemeente. Het schijnt dat de raad oorspronkelijk naast de gezworen gemeente bestond. Grata ma noemt een aantal voorbeelden uit de archiefstukken die hier op wijzen, maar vindt deze constructie toch onwaarschijnlijk.
De termen “raad” en “gezworen (ge)meente” worden in de overgeleverde stukken gebruikt voor een lichaam met bestuursbevoegdheden naast de burgemeesters. Het is inderdaad niet waarschijnlijk dat er twee zulke instanties naast elkaar zouden hebben bestaan. Coevorden telde in 1691 ongeveer 1000 inwonersen er is geen reden om aan te nemen dat het er in vroeger tijden meer zouden zijn geweest, eerder minder. Dit aantal komt neer op ongeveer 250 gezinshoofden, die niet allemaal het – recht op zeggenschap gevende – burgerschap bezeten zullen hebben. Het burgerboek geeft voor de tijd omstreeks 1600 eveneens een aantal van ongeveer 250 mannelijke burgers.
De gezworen gemeente was een college van twaalf personen die oorspronkelijk uit en door de gezamenlijke mannelijke inwoners met burgerrecht, de brede gemeente, gekozen zullen zijn. Het is niet precies na te gaan hoe deze procedure zich ontwikkeld heeft. In de 16e eeuw lijkt de gezworen gemeente nog gekozen te worden, in de 17e en 18e eeuw blijkt de drost de “gemeensmannen” aan te wijzen; hij doet dat uit een beperkte kring van burgers.
Uit de gezworen gemeente werden vier burgemeesters benoemd, die samen met de overblijvende acht gemeensmannen de magistraat vormden; deze combinatie wordt in de inventaris doorgaans “het stadsbestuur” genoemd. Het dagelijks bestuur lag in handen van de burgemeesters, het voltallige college van burgemeesters en gezworen gemeente besliste in beleidszaken – of liever, bereidde de beslissingen van de drost voor; de drost had immers het laatste woord, tot in de kleinste zaken. Deze taakverdeling heeft soms tot strubbelingen geleid. De benoeming van de burgemeesters lag in alle gevallen bij de drost. In de 16e eeuw is het nog regel dat om de twee jaar twee van de vier burgemeesters aftreden, die dan levenslang zitting hebben in de gezworen gemeente (en dus, maar niet aansluitend aan hun vorige ambtstermijn, weer benoembaar zijn als burgemeester). Dit systeem is op de duur vastgelopen; in de loop van de 17e eeuw is de regelmaat in de benoeming van burgemeesters en gezworen gemeente verdwenen en werden deze benoemingen hetzij levenslang hetzij durend tot ontslag of vrijwillig terugtreden.
Naast de magistraat is sinds het begin van de 16e eeuw sprake van de gemene of brede gemeente, vermoedelijk bestaande uit het totaal van de inwoners met burgerrecht en een soltstede, anders gezegd de gewaardeelden in de marke. De brede gemeente kwam bijeen wanneer daar aanleiding toe was, bij voorbeeld voor de vaststelling van willekeuren of belastingen. Tegenover het stadsbestuur werd de brede gemeente vertegenwoordigd door volmachten die in de 18e eeuw als gecommitteerden der brede gemeente aangeduid worden. Zal het oorspronkelijk de bedoeling geweest zijn dat de brede gemeente het stadsbestuur als achterban adviseerde en steunde bij “zware” besluiten, in de praktijk hebben het stadsbestuur en de brede gemeente elkaar nogal eens in de haren gezeten, totdat tegen het einde van de 18e eeuw zelfs het Landschapsbestuur er bij betrokken werd. Gratama wijst erop dat deze tegenstellingen vergelijkbaar zijn met de strijd die in grotere steden al veel eerder gestreden was tussen de regentenklasse en de naar medezeggenschap strevende burgerij .
Inrichting en bevoegdheden van het burgerlijk bestuur van Coevorden zijn gedurende de door het archief bestreken tijd voor 1795 als volgt samen te vatten:
a. Er zijn vier burgemeesters, die het dagelijks bestuur uitoefenen. Daartoe behoort ook een deel van de lage rechtspraak (civiele kwesties en strafrechtspraak voor zo ver die met boetes afgedaan kan worden) en de vrijwillige rechtspraak (de registratie van rechtshandelingen tussen burgers onderling); op deze rechtsbevoegdheid wordt nog nader ingegaan. De burgemeesters zijn in hun bestuurshandelingen ondergeschikt aan de drost en, voor zo ver van toepassing, de commandant van de vesting.
b. Naast de burgemeesters fungeert een gezworen gemeente die acht leden telt. De gezworen gemeente dient de burgemeesters van advies en vormt samen met de burgemeesters de magistraat, het stadsbestuur in ruimere zin.
c. De burgemeesters worden bijgestaan door een secretaris, die de administratie van de stad voert. Deze functie is vermoedelijk omstreeks 1600 ingesteld. De secretaris wordt benoemd door de burgemeesters, zijn benoeming wordt bekrachtigd door de drost.
Het hielp niet; reeds bij de benoeming van Wiebe van Alsem in 1726 kreeg weer een burgemeester dit ambt in handen. Naast de stedelijke financiën, de stadskas, vinden we in dit archief drie andere kassen waar het stadsbestuur bemoeienis mee had: van het gasthuisfonds, van de kerk en van de marke. Het gasthuisfonds, van oorsprong een kerkelijk fonds, is in 1614 aan de stad overgedragen en sindsdien onder toezicht van het stadsbestuur beheerd door een gasthuisvoogd (of twee), los van de stadskas waaraan het fonds wel in ruime mate met leningen heeft bijgedragen. De kassen van de kerk en de marke, of liever buurschap, werden eveneens afzonderlijk geadministreerd; ook hier oefende het stadsbestuur toezicht uit. Deze kassen zijn in de inventaris niet onder de rubriek Financiën gebracht maar onderdeel gebleven van de desbetreffende eigen rubrieken (maatschappelijke zorg, kerkelijke zaken en beheer van de marke).
e. Na de reconstructie van Coevorden omstreeks 1600 is de plaats verdeeld in vier rotten of wijken, naar het stadsbestuur toe en omgekeerd vertegenwoordigd door rotmeesters. Vaak wordt de functie vervuld door een burgemeester.
De taken van de hiervoor genoemde ambtsdragers komen in grote lijnen overeen met die van een gemeentebestuur van nu; de titels van de rubrieken in de inventaris geven dit ook aan. Er zijn echter twee duidelijke afwijkingen; de een heeft betrekking op de rechtspraak, de andere op de bemoeienis van het stadsbestuur met de kerk.
De rechtsbedeling binnen Coevorden is een nog niet volledig onderzochte aangelegenheid. Zoals al in het begin van deze inleiding gezegd, is Coevorden tot 1791 beschouwd als een eigen entiteit, een zelfstandige “stad en heerlijkheid”. Dit eigene heeft met name betrekking op de jurisdictie. Coevorden heeft zich op vrijwel elk ander gebied – zij het vanzelfsprekend met uitzondering van de militaire functie van de stad – geconformeerd aan de Landschap Drenthe. Daarentegen hanteerde de stad niet het Drentse landrecht maar dat van Overijssel, met eigen specifieke aanvullingen. Binnen het bereik van het plaatselijke bestuur vinden we de lage rechtspraak (zowel lichte, met een geldboete te bestraffen vergrijpen als civiele zaken) en de vrijwillige rechtspraak (bevestiging en registratie van verbintenissen). In de Drentse kerspelen was deze lage rechtspraak het domein van de hoogste, en vaak enige, administratieve ambtenaar ter plaatse, de schulte. Ook Coevorden had een schulte , als vertegenwoordiger van de drost in het bijzonder belast met de lage rechtspraak; aan de drost was de hoge rechtspraak (strafzaken die “aan den lijve” gingen en beroepzaken) voorbehouden. Anderzijds had Coevorden een schepenbank, gevormd door burgemeesters en schepenen – waaronder we de burgemeesters alleen moeten verstaan; de schepenen zijn niet meer dan een formule.
Deze schepenbank had niet, zoals in autonome steden, de bevoegdheid tot uitoefening van de criminele rechtspraak, de strafrechtspraak die aan lijf en leven ging; daartoe was immers de hoogste burgerlijke autoriteit binnen Coevorden, de drost, bevoegd. Wel oefende het stadsgerecht, zoals de schepenbank in deze inventaris genoemd wordt om haar te onderscheiden van een “echte” schepenbank met volledige jurisdictie, de lage rechtspraak uit. Gratama verklaart dit deels uit de omstandigheid dat Coevorden als stad beschouwd werd, deels ook uit de functie van de burgemeesters als “richters”, beheerders van de marke die zeker tot in de 15e eeuw vrijwel met de burgerij van de stad samenviel. We zien dus dat de schulte en het stadsbestuur voor wat de lage rechtspraak betreft ongeveer hetzelfde werkterrein hebben. Voor de contentieuze rechtspraak vinden we dan nog de complicatie dat voor zover deze door de schulte wordt uitgeoefend, de boete toch geheel of gedeeltelijk aan de stad t oevalt* . Het is duidelijk dat deze parallelle bevoegdheden aanleiding moesten geven tot competentiegeschillen. In de inventaris is daar onder het hoofd Justitie een afdeling aan gewijd. Er is halverwege de 17e eeuw getracht een compromis te sluiten door het schultambt door een burgemeester te laten vervullen, maar definitief is de regeling niet geweest.
Ten aanzien van de invloed van het stadsbestuur op de kerk is op te merken dat tijdens de Republiek stad en kerk zo nauw met elkaar verbonden waren dat de beide kerkvoogden door de drost benoemd werden uit het reservoir van voormalige burgemeesters, terwijl ook de benoeming van personeel in dienst van de kerk in handen van het stadsbestuur lag, te bekrachtigen door de drost.
Als laatste hoofdstuk onder de taken van het stadsbestuur is opgenomen het beheer van de marke van Coevorden. Het is al eerder in deze inleiding gezegd: het vlek Coevorden was oorspronkelijk, vergelijkbaar met de omliggende dorpen, een buurschap met een marke waarbinnen de lopende zaken behartigd werden door volmachten. Naarmate Coevorden groeide en een stedelijke bestuursvorm aannam, ging de taak van de volmachten over op de burgemeesters. Rechthebbend in de marke zullen aanvankelijk alle inwoners van Coevorden zijn geweest; vanzelfsprekend veranderde deze situatie naarmate Coevorden meer inwoners ging tellen die niet de landbouw bedreven. Coevorden is de marke dan ook ontgroeid, letterlijk na de reconstructie na 1600 toen de oorspronkelijke soltsteden verdwenen in het nieuwe stratenplan, figuurlijk omdat de stadsbevolking steeds minder boeren ging tellen. Daarom is tegen 1650 de marke gescheiden en opgeheven.
Het plaatselijk bestuur na 1795
De revolutie van 1795 en de daarop gevolgde nieuwe staatsregelingen hebben voor het plaatselijk bestuur in Coevorden wel enige gevolgen gehad, maar niet zeer ingrijpend. De magistraat werd in 1795 afgezet en vervangen door een gekozen municipaliteit, wederom bestaande uit 12 personen, waarin de oude namen veelal terugkeerden. In 1805 volgde een reglement waarbij het stadsbestuur weer met magistraat werd aangeduid en samengesteld was uit vier burgemeesters en een secretaris. In 1809 werd deze opzet gewijzigd: er kwamen nu een burgemeester, vier wethouders en een secretaris. Na de inlijving van Nederland bij Frankrijk in 1810 bleven een burgemeester, maire genaamd, een adjunct-maire en de secretaris over. Daarnaast kreeg de stad een gemeenteraad van tien personen die echter nauwelijks bevoegdheden had* . Voor de bestuurshandelingen en het daaruit resulterende archief hebben al deze wijzigingen weinig verschil gemaakt.
Verantwoording van de inventarisatie
Het oud archief van de gemeente Coevorden is in 1888 naar het Rijksarchief in Assen overgebracht ten einde daar geïnventariseerd te worden. De rijksarchivaris mr. Seerp Gratama kwam daarbij tot de conclusie dat van een oude orde niet veel te bespeuren was. Weliswaar was door enkele secretarissen na 1765 het archief toegankelijk gemaakt* , maar voor de latere inventarisator betekende dit geen bruikbare basis voor reconstructie. Gratama heeft daarom een hoofdindeling in vijf rubrieken gemaakt en binnen die rubrieken onderscheid aangebracht tussen de registers waarin de stedelijke administratie haar handelingen vastlegde en de bijbehorende losse stukken. Losse stukken daterend van voor 1703 zijn individueel beschreven, latere stukken zijn per jaar gebundeld. Anderzijds zijn alle stukken met betrekking tot geschillen weer per kwestie bijeen gehouden . Raadpleging van de inventaris betekende dus: overwegen in welke rubriek het gezochte – hetzij stuk of zaak – ondergebracht zou kunnen zijn, daarna in de gekozen rubriek nalezen of van het stuk of de zaak een volledige beschrijving te vinden is en zo niet, de resterende bundels per jaar doorlopen. Deze opzet is nu niet meer goed bruikbaar en herinventarisatie was dus gewenst, waarbij de belangrijkste vraag was: volgens welk criterium? Er is geen eenheid in de inventarissen van oude stadsarchieven, deels omdat geen enkel archief gelijk is aan een ander voor wat betreft samenstelling en omvang, deels omdat de persoonlijke opvattingen van de inventarisator een grote rol spelen.
Voor moderne gemeentelijke archieven is de basis-archiefcode van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van kracht, voor oude archieven moet de inventarisator zelf bepalen wat de beste aanpak is. Waar mogelijk moet naar behoud of herstel van de oude ordening gestreefd worden, waardoor een beeld ontstaat van de werkwijze van de administratie die het archief gevormd heeft. In het onderhavige geval waren er wel aanwijzingen voor een oorspronkelijke orde in de vorm van secretarie-inventarissen38 maar daar was toch weinig mee te beginnen – wat ook al de mening van Gratama geweest was. Zoals in veel inventarissen van archieven van dit type is ook hier het uitgangspunt voor de nieuwe ordening geworden dat de beheerstaken van het plaatselijk bestuur in vroeger tijden in essentie hetzelfde inhielden als nu. Het Coevorden van zeg 1700 was een dorpje vergeleken met de – nog steeds van bescheiden formaat zijnde – tegenwoordige stad: ongeveer 1000 inwoners toen tegenover ongeveer 1 4.000 op dit moment. Toch diende het stadsbestuur destijds in grote trekken voor dezelfde primaire voorzieningen te zorgen als het huidige gemeentebestuur, hetgeen betekent dat de daaruit voortkomende taken ondergebracht kunnen worden in rubrieken met herkenbare benamingen – al was de werkwijze totaal verschillend. Plezierig was daarbij dat het overgeleverde archief als een eenheid beschouwd kon worden; van mogelijkerwijs door het stadsbestuur gedelegeerde taken is geen afzonderlijke neerslag in het archief te vinden.
Gebruikelijk is dat in oude archieven van plaatselijke besturen een eerste scheiding wordt aangebracht tussen enerzijds de series en stukken van algemene aard – waarin de registers worden opgenomen waarin de administratie haar handelingen placht vast te leggen – en anderzijds de stukken met betrekking tot specifieke onderwerpen. Het tweede deel, de stukken betreffende bijzondere onderwerpen, benoemt dan een aantal werkterreinen van een plaatselijk bestuur voorafgegaan door de inrichting van dat bestuur. Deze opzet levert een aantal rubrieken op die tegen de indeling van de basis-archiefcode aanleunen zonder echter zo strak gedefinieerd te zijn; er is ruimte voor aanpassing. In aanmerking nemend dat de code bij de registratuur van alle moderne archieven van plaatselijke besturen in gebruik is, ontstaat zo een vertrouwd beeld. Voor de inventaris van het archief van Coevorden is dan ook een soortgelijke indeling gekozen.
Het archief bestaat uit vier delen:
A. Het archief van het stadsbestuur zelf.
B. Gedeponeerde archieven, namelijk van de krijgsraad te Coevorden en van de gevangenis. Waarom het archief van de krijgsraad, althans een deel ervan, onder het stadsbestuur is komen te berusten is niet bekend. Dat van de gevangenis is in 1811 overgegaan naar het stadsbestuur toen de maire met de zorg voor de gevangenen werd belast. De gevangenis bevond zich oorspronkelijk onder de toren van het kasteel en werd voornamelijk voor militaire gevangenen gebruikt. Het beheer was dan ook in handen van de militaire autoriteiten. Het gemeentelijke beheer heeft geduurd tot 1824. Gezien dit wel zeer tijdelijke karakter van de bemoeienis van het stadsbestuur met de gevangenis en ook de geringe neerslag ervan leek het juister dit archief als losstaand van het stadsarchief-in- engere-zin te beschouwen dan het daarin op te nemen.
C. Stukken waarvan het verband met de rest van het archief niet aa ntoonbaar is, dat wil zeggen ze passen er niet organisch in, hoewel een relatie met de plaats Coevorden doorgaans wel aanwezig is.
D. Documentatie, bestaande uit informatief drukwerk ten dienste van het stadsbestuur.
Prachtige oude foto’s zijn te zien op de volgende website;

http:///www.coeverseplaatties.nl