fam. dommers/gratama

De familie Dommers kwam rond 1800 vanuit Duitsland naar Coevorden. Adam Dommers en Anna Jansen. Hun zoon Hendrik Dommers werd gedoopt op 19 februari 1770 in Corschenbruch. Hij huwde Hendrika Berends. Zij kregen 3 kinderen, Johannes Hendrik(hij huwdeMaria Johanna du Moulin), Anna,( zij huwde Franciscus Josephus Gentis),
en Berend, deze huwde Carolina Franciscala Paix.
Lodewijk Bernardus Johannes (Berend) DOMMERS, caféhouder;aannemer;handelaar;administrateur, geboren op 17-04-1803 te Coevorden, overleden op 02-12-1856 te Coevorden op 53-jarige leeftijd.
Hij was tijdens de Belgische Opstand in 1830 woonachtig te Leeuwarden em luitenant van de Friese Schutterij. In Coevorden werd hij caféhouder en handelaar in bouwmaterialen en aannemer. Hij ontwikkelde al in 1839 een plan om de Dedemsvaart naar Coevorden te verlengen en legde het Dommersvaartje aan naar en door het Scheerseveen. Hij bouwde in 1849 de r.k.kerk van Nieuw-Schoonebeek. Hij richtte de Drentsche Landontginnings Mij op met Hendrik MEINESZ en enkele Amsterdamse kooplui, die de beoogde kanaalstrook door de zuidelijke Emmervenen opkocht. Aanvankelijk was de fa. een onroerend goed maatschappij, die toen de aanleg van het Engelse kanaal niet doorging werd omgezet in een veenmaatschappij de N.V. Het Amsterdamsche Veld.
Uit dit huwelijk:
antoinette carolina trouwde met gerhardus lambertusgratama.

Voor verdere informatie kunt u personen zoeken in de stamboom.

Bijlage 2: Drie onuitgegeven brieven van dr. K.W. Gratama uit Japan
Jedo 11 Maart 1868.
Beste Jan!
Uwen brief van 9 December heb ik in goeden welstand ontvangen. Ik begin dadelijk over mij zelven te spreken, omdat het blijkt uit Uwen brief, dat Gij U ongerust maakt of de Japanners zich eenige te ver gaande vrijheden met mij permitteeren. Sinds de steeniging, die trouwens niet zoo erg is geweest, heb ik geen de minste letzel ondervonden. Zooals Gij uit mijne vroegere brieven hebt kunnen zien, is de burgeroorlog uitgebarsten en daarmede de veiligheid van de Europeanen in Jedo een oogenblik bedreigd. Dit heeft intusschen niet lang geduurd en tegenwoordig is het hier zeer rustig en kalm. De gewone voorzorg, om nooit dan met een revolver gewapend uit te gaan, wordt wel niet vergeten, maar overigens kan men thans even gerust door Jedo wandelen als door Zwolle. Om U dit verstaanbaar te maken moet ik U de geschiedenis van de laatste dagen verhalen. Ook hier bespreken wij druk de politiek, maar in plaats van over de val van een ministerie of de ontbinding eener Kamer te reden eeren, loopt hier het gesprek over de vernietiging van eene dynastie, die ongeveer driehonderd jaar heeft bestaan. Voor een Tweede Kamer politicus, als Gij zijt, kan deze variante wel interessant zijn.
Nadat het sein tot de oorlog was gegeven door het verbranden door den Taikoen van eenige kazernes van oproerige prinsen te Jedo, trok het leger van den Taikoen naar Kioto, de hoofdplaats van Japan. Hier hadden de oproerige prinsen zich van den Keizer, den Mikado, meester gemaakt en een nieuw bestuur georganiseerd. Voor alles moest de Mikado uit hunne handen worden ontrukt, want hij, die de Mikado kan laten spreken, is meester van het land. Ofschoon nog een kind heeft hij ongeveer dezelfde magt als de pausen in de middeleeuwen, die het den Duitschen keizers zoo onaangenaam maakten. De ministers en de Europeesche relaten waren op dien tijd te Osakka, dat evenals Hiogo pas voor de vreemdelingen was geopend. Ook de Taikoen bevond zich hier. 20.000 volgens anderen 30.000 Taikoens troepen trokken naar Kioto, dat een dagreis ongeveer van Osakka is verwijderd, om 2.000 à 3.000 man der oproerige prinsen te verjagen. Ofschoon zoowel de Taikoen als de vreemdelingen rekenden dat e r geen ernstige tegenstand zoude worden geboden, was de uitkomst geheel anders. Na een gevecht, dat 4 dagen duurde, werd het leger van den Taikoen volkomen op de vlugt gedreven, het vijandelijke leger bedreigde zelfs Osakka. Hierop liet de Taikoen aan de Europeanen in Osakka weten, dat hij hen niet langer konde beschermen.
Korten tijd daarna vlugtte hij zelve naar Jedo, en weldra waren ook alle Europeanen met de ministers aan het hoofd op weg naar Hiogo met achterlating van een groot gedeelte hunner bezittingen. Eenigen tijd daarna stond de stad op verschillende plaatsen in brand. Het berigt van deze nederlaag verwekte groote verslagenheid in Jedo. Men geloofde dat de oproerige prinsen reeds in aantogt waren naar Jedo en vele inwoners waren op het punt van te vlugten. De partij van de prinsen werd dagelijks sterker. Zij wierpen de troepen van den Taikoen uit Nagasaki en Hiogo en gedroegen zich als de meesters van het land in het Zuiden. Een afgezant van den Mikado konden den ministers zeggen, dat de Taikoen opgehouden had te bestaan en dat hij voortaan zelve de teugels van het bewind zoude voeren. De ministers scheenen onzeker, totdat er eene oorlogsverklaring in optima forma door den Mikado aan den Taikoen werd gezonden. Het bleek nu dat het Noorden voor het grootste gedeelte op de hand des Taikoens en het Zuiden op die van den Mikado was. Er was eene burgeroorlog met gelijke kans aan beide zijden. De ministers besloten tot onzijdig verklaring. De Taikoen evenwel, ofschoon zeer goed in staat aan de oproerige prinsen het hoofd te bieden, is zoo verschrikt door de oorlogsverklaring van den Mikado, den pop dien de oproerige prinsen laten dansen, dat hij zich heeft begeven in een tempel aan den Mikado toebehoorende, verklarende dat, liever dan met zijn meester oorlog te voeren, hij zich onderwerpt aan alle straffen, die hem zullen worden opgelegd. Men vreest dat hij zich den buik zal moeten opensnijden. Ellendiger houding dan van dien man, uit een Europeesch oogpunt beschouwd, is niet te bedenken. De meeste zijner aanhangers zijn verontwaardigd en willen vechten. Ik geloof, dat het hiertoe niet zal komen.
De onzijdigverklaring heeft tot gevolg gehad, dat alle Europeanen in Japansche dienst eene aanschrijving hebben bekomen, tijdelijk die dienst op te geven. In weerwil, dat ik nooit eenige blijken heb gegeven door woorden of daden, hetzij den Taikoen of den Mikado te ondersteunen, of in mijne lessen over het zwavelzuur of over den brandspuit een van beiden te hebben begunstigd, moet ik de werkzaamheden hier staken. Dit heeft evenwel niet veel te beduiden, want bij den aanvang van den oorlog heeft men de bouw van het laboratorium gestaakt, omdat men het geld niet konde missen. Ik had dus niets te doen. Waarschijnlijk ga ik over eene week naar Jokohama, om daar de gebeurtenissen af te wachten. Gij ziet in Japan heb ik geene rust: van Nagasaki naar Jedo, van Jedo naar Jokohama en vice versa. Het leven is desniettegenstaande niet onaangenaam, en zoo Gij van tijd tot tijd aan den zwerveling denkt is het niet noodig met weemoed of angst zich hem te herinneren. De groeten aan de geheele familie.
Dr KWG
Naschrift: Voorloopig blijf ik in Jedo om gekwetste soldaten te behandelen. Ik heb juist een onderhoud met den minister van buitenlandsche zaken gehad.
Aan broer Lucas Oldenhuis Gratama te Assen (inv.nr. 110)
Jedo 12 maart 1868.
Waarde broeder Lukas!
Uw brieven van October, November en December heb ik op den behoorlijken tijd ontvangen. Zij deden mij te meer genoegen, omdat zij in alle opzigten verblijdende berigten van U en Uw huisgezin gaven. Ik hoop, dat Gij bij Uwe vele bezigheden steeds eenige oogenblikken zult kunnen vinden om mij het een en ander te kunnen schrijven. Ik beloof U, dat ik U zooveel mogelijk het Japansche nieuws zal mededeelen voor zooverre ik oordeel dat Gij er belang in stelt. Ik moet U intusschen doen opmerken, dat de antwoorden op Uwe brieven op zijn minst genomen 4 maanden onderw.* na de afzending Uwer brieven kunnen arriveeren. Gij schijnt U de enorme afstand, die ons scheidt, eenigzints te gering voor te stellen, want Gij begint een Uwer brieven met “voor een paar maanden schreef ik U, waarop ik tot dusverre geen antwoord heb ontvangen”.
Zooals Gij uit mijnen brief aan Jan zult vernemen, of mogelijk reeds in de couranten hebt gelezen, heeft in Japan eene omwenteling plaats gehad. De broeder van den Taikoen, aan wien men in Europa zeer ten onregte vorstelijke eer heeft bewezen, wordt hierdoor tot een zeer gemeen (ik wil zeggen veelvuldig voorkomend) soort van Japansche edellieden teruggebragt. Zij worden daimios genoemd. Het zijn ongeveer de leenvorsten der middeleeuwen, volkomen met hen overeenkomende in volslagen gebrek aan kennis, maar van hen verschillende door meer beleefde vormen en tevens verwijfdheid en lafheid. Ik heb de eer genoten in den laatsten tijd eenigen van dat volkje bij mij te zien. De meesten hadden nog geen Europeaan gezien en waren onvervalschte oer- daimios. Eenmaal kwamen er zes, ouden en jongen met een groot gevolg. Toen ik hen eenige physische instrumenten had laten zien, was er een zoozeer met mij ingenomen, dat hij om mij zijne ingenomenheid te toonen eenen pop van ongeveer 1 pa lm uit zijn zak haalde en mij cadeau gaf. Hij had er waarschijnlijk pas te voren nog mede gespeeld. Een ander dezer idioot* prinsen haalde zes oranje appelen uit zijn broekzak, waarschijnlijk als groote eer voor mij rekenende dat hij ze zelve gestoofd had. Bij dit alles brengt de beleefdheid mede, dat men een ernstig gezigt moet zetten. Wanneer ik Japanner was, zoude ik dagelijks de goden bidden mij van die nietelingen te verlossen, en zoo ik niet spoedig verhoord werd, zoude ik er misschien toe kunnen komen om ze zonder vorm van proces het land uit te jagen.
Men heeft over het algemeen het karakter van dit Japansche volk naar mijn inzien overdreven. De middenklasse als punt van uitgang nemende, sprak men veel van natuurlijke aanleg, buigzaamheid en leergierigheid. Hiermede had men vooral het oog op de Chinezen, van wie men het tegenovergestelde zeide. Zoo men ze met hunne buren vergelijkt, bezitten zij deze eigenschappen stellig, maar niet in die mate dat ze er werkelijk voordeel van zullen genieten. Ik hoorde ze eens zeer te regte karakteriseeren als “les singes de l’Asie”. Alles is oppervlakkig. Europeesche wetenschap is een aardigheid, eene speelpop zoo goed als een ander. Wanneer het eenige inspanning kost, wordt ze weder in een hoek geworpen. Vasthoudendheid is in Japan niet bekend. Bij de Chinezen is ’t juist het tegengestelde. Hier worden nieuwigheden slechts zeer langzaam aangenomen maar niet dan nadat zij goed van alle kanten zijn bekeken en dan ook duurzaam. Er zijn lieden die denken dat de beschaving, die in China altijd hooger is geweest dan in Japan, ook daar meer duurzame vorderingen zal maken. Het spijt mij, dat ik U eene illusie ontneem; ik heb ze ook moeten verliezen.
De beide thans in Japan bestaande partijen hebben eene naäping van eene constitutioneele staatsregeling beproefd. Bij de Mikado is een hooge geestelijke het uitvoerend bewind (de geestelijkheid wordt gewoonlijk door de beschaafde Japanners met minachting aangezien), de daimios en geestelijkheid vormen een eerste Kamer en de soldatenstand eene zeer beperkte tweede Kamer. De laatsten worden het volk genoemd. Kooplieden, boeren en handwerkslieden behooren nog niet eens tot dit volk. De Taikoen heeft om liberaler te zijn als de Taikoen* het volk bijeengeroepen om zijn oordeel te vernemen over eene nieuwe staatsregeling, terwijl de edellieden met hem in zijn kasteel zouden vergaderen. Van den uitslag dezer beraadslagingen, waarvan ik mij niets goeds voorstel, is nog niets bekend. Het zal nog lang duren eer Japan in Kants* beweging is naar de verkiezing van eene nieuwe Kamer, zooals thans in Ho lland het geval is, en waaraan Gij met veel belangstelling deel neemt. Gij hebt een voorproefje gehad van het genot van een volksvertegenwoordiger, het zoude mij spijten, indien men U niet in staat stelde U te verzadigen aan den parlementairen disch. Het komt mij voor, dat Uw minister van buitenlandsche zaken von Bismark als voorbeeld heeft gekozen in brutaliteit en weinig eerbied voor de stem van de Kamer. Zoo hij aanblijft, zal het bittere en zure veel worden voorgediend. Jammer voor hem, dat wij geen Duitschland hebben te veroveren en geen idee van Duitsche eenheid hebben om ons een dergelijke minister smakelijk te maken.
Ik dank U zeer voor Uw werkje over de stadhouders van Drenthe, en over het aanbod om mij het een of ander te zenden. Zoo Gij mij van tijd tot tijd het een en ander uit de Haagsche, hof- of politieke wereld wilt mededeelen zal het mij zeer aangenaam zijn.
Ik doe hier van tijd tot tijd aan de praktijk, maar alleen uit menschlievendheid. Morgen zal ik beginnen in den oorlog gekwetste soldaten te behandelen. Handel ik hierin tegen de neutraliteit? Handelde ik ook tegen de neutraliteit door les te geven in de natuur- en scheikunde? Ik handel stellig naar de voorschriften der menschelijkheid, wanneer ik tracht de arme Japanners van zelf te laten sterven zonder hulp der Japansche doktoren.
De Graeff van Polsbroek is niet gehuwd met eene Japansche prinses. Geloof niets van de praatjes die die domme Casembroot U over Japan zal willen vertellen. Hij is in Japan geweest, maar ik reken hem niet in staat er over te kunnen oordeelen. Ik wacht met ongeduld de afloop der verkooping op de Smilde* , waarbij ik tevens eenige berigten van U zal ontvangen.
Dr KWG
(Gezien de inhoud gericht aan) broer Jan Gratama te Zwolle (inv. nr. 275)
Yokohama 9 April 1868.
Uwen brief van 25 January heb ik ontvangen en daaruit gezien, dat de familie Gratama steeds crescendo gaat zoowel in aantal als in aanzien. Het doet mij groot genoegen, dat Lukas weer herkozen is. Hij, die eens geholpen heeft om den politieken kluwen te ontwarren, schijnt die bezigheid bijzonder aantrekkelijk te vinden. Vinnis homo summa ape etc. Ik hoop, dat de draad die hij zoekt naar het welzijn van het land, zijn eigen geluk niet zal omstrikken. Politici, Japansch sprekende en Japansche toestanden begrijpende, zijn hier zeer gezocht. Het groote keizerrijk Japan verkeert in eene staatsomwenteling; zooals te begrijpen is, gaat eene verandering in het bestuur hier veel minder gemakkelijk dan in eenig ander land. Sedert 250 jaren is hier alles stipt bij het oude gebleven, en nu komen de Europeanen met denkbeelden, die aan een Aziatisch volk geheel vreemd, soms zelfs onmogelijk schijnen. Men hoort dan ook de meest vreemdsoortige plannen, waaronder het meerendeel in het o og der Europeanen bespottelijk. Alvorens evenwel een dergelijk oordeel te vellen, zoude men de Japansche huishouding wat beter moeten leeren kennen. Het is bevreemdend, dat menschen, die 7 à 8 jaar in dit land hebben gewoond, zoo weinig van de zaken van het bestuur weten. Ik kan het niet toeschrijven aan gebrek aan belangstelling bij de Europeanen (zij zijn evenals in Europa begeerig van dit land alles te weten) maar aan de geheimzinnigheid, waarmede de Japanners zich omringen.
Zooals ik U in mijnen vorigen schreef, ben ik te Jedo achtergebleven om gekwetsten te behandelen. Ik was weder geheel en al docter geworden, ’s morgens ging ik met mijn wagentje uit naar eene plaats ongeveer een uur van mijne woning gelegen om daar de zieken te zien van een prins Aikoe. Het waren alle zeer zwaar gewonden, want de ligt gewonden waren reeds naar hun land gezonden. Er bleven nog 13 over, waarvan 12 met verbrijzelde beenderen. ’s Middags ging ik naar twee hospitalen van den Taikoen, waar ongeveer 130 gekwetsten waren, zwaar en ligt. Hier was ik genoodzaakt eene amputatie aan de dij te verrigten. Er was eene geringe kans het leven te redden van een’ officier, wien men het kniegewricht had stuk geschoten. De man was zeer zwak. Het bleek dat hij het bloedverlies aan de operatie verbonden niet kon verdragen. Hij stierf twee uren daarna. 14 dagen heb ik dit baantje waargenomen. Ik ontving toen het berigt van de directeuren van Kai-Sei-Dsjio, dat het beter zoude zijn naar Jokohama te gaan, omdat er een leger van den Micado in aantogt was om Jedo in bezit te nemen. Ofschoon men niet van plan was Jedo te verdedigen, vreesde men dat de ongeregelde en weinig gedisciplineerde troepen van het Zuiden straatgevechten zouden veroorzaken, waarbij de vreemdelingen in gevaar zouden komen. Ik vroeg een officieelen brief van den minister van buitenlandsche zaken, die mij den volgenden dag werd ter hand gesteld. Hij behelsde het verzoek mij zoo spoedig mogelijk naar Jokohama te begeven.
De reden, waarom men op spoed aandrong, was dat de Zuidelijke troepen eenigen tijd te voren elf Fransche matrozen hadden overvallen en vermoord. Gij zult deze geschiedenis wel in de couranten hebben gelezen. Omdat ik in Jokohama geen huis had, moest ik natuurlijk mijne meubelen en boeken te Jedo laten. Dit werd zoo spoedig mogelijk in een brandvrij pakhuis gepakt. Hiermede was ik nog denzelfden dag gereed, zoodat ik den anderen dag ’s morgens naar Jokohama kon vertrekken. Ik nam alleen eenige kleederen en mijn bed mede. Mijn knecht Jan ging met dat goed per boot, en ik met het wagentje. Zoo kwam ik bij den Heer van der Tak aan, aan wien ik geschreven had. Ik ben nu nog bij ZEd. maar zoek een eigen huis of gemeubileerde kamers, hetgeen zeer moeyelijk is. Van der Tak krijgt intusschen het huis zoo vol, dat ik zonder zijne beleefdheid te misbruiken hier niet langer blijven kan. De Hr. Van Polsbroek is gisteren hier gekomen, en met de volgende fransche mail komen de beide H eeren Bauduin, alle oude vrienden van Van der Tak. Gij ziet wij hebben hier alles behalve een kalme rust. In Kioto heeft men den Engelschen minister, gaande naar den Micado, te midden van een escorte van 400 man aangevallen. Tegen een ware gebeurtenis zijn in Jokohama minstens 10 onware in omloop, zoodat het gesprek meest over oorlog en overvallen loopt.
De groeten aan de familie.
Dr KWG