criminaliteit in de veenkolonien

Uit het boekje; ‘Van daad tot vonnis’ : door Drenten gepleegde criminaliteit voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog
albert eggens.

Bron: RUG nieuws 22/6/05

Arm waren ze, de turfstekers die begin twintigste eeuw het Drentse land bevolkten. Arm, weg van hun geboortegrond en zonder toekomstperspectief. Dit is het traditionele beeld van de veenarbeider en het zijn, althans dat beweren de misdaadtheorieën, dé ingrediënten voor een criminele loopbaan. De Drentse criminaliteitscijfers behoorden inderdaad tot de hoogste van het land. Toch kan hun schijnbaar zwakke sociaal-economische positie hiervoor niet de enige verklaring zijn, meent historicus Albert Eggens
Eggens zocht het antwoord in bijna zesduizend rechtbankdossiers van zo’n vierduizend Drentse verdachten, die tussen 1911 en 1918 een misdrijf hadden gepleegd. Hij vergeleek de vonnissen van beklaagden uit de veenderijen met die uit oude zanddorpen, reeds afgegraven veengebieden en het stadje Coevorden. En wat blijkt: “De venen in Zuidoost-Drenthe staken er met kop en schouders bovenuit.”

Turfdiefstal
“Hebben armoede en een gebrek aan sociale controle zo’n grote invloed gehad op de hoge criminaliteitscijfers onder de inwoners van het veengebied?”, vroeg Eggens zich af. De genoemde factoren alleen geven hiervoor geen goede verklaring. Uit de cijfers blijkt dat er vooral turf werd gestolen. Bijna vijftig procent van het totale aantal diefstallen tussen 1911 en 1918 betrof turf, tegen tien procent geld en sieraden, en zeven procent voedsel. Daarbij gold: de gelegenheid maakte de dief. “Het turf lag voor het grijpen. Bovendien beschouwde de bevolking turfdiefstallen niet als bijzonder ernstig, omdat er genoeg van was en ze de turven zelf gestoken had.” Voedsel, voornamelijk aardappelen, maar bijvoorbeeld ook fruit uit boomgaarden, werd vooral ontvreemd in de oogstperiode als het op het land lag te wachten op transport. Gemiddeld ging het in de periode 1911-1918 jaarlijks om zo’n twintig vermogensdelicten per tienduizend inwoners uit de venen van Zuidoost-Drenthe. Eggens: “Als de armoede zo groot was, dan zou je verwachten dat er vaker werd gestolen.”

Dronkemansgeweld
De hoge misdaadcijfers zijn daarnaast te wijten aan alcoholmisbruik. Bij vrijwel alle geweldsdelicten was drank in het spel. Bijna de helft van de verdachten was tussen de 15 en 24 jaar. “Haantjesgedrag in de uitgaanssfeer,” zegt Eggens. Vechtpartijen, messen trekken, “zelfs een meisje in de rug steken omdat ze niet wil dansen.” De daders en slachtoffers waren meestal bekenden van elkaar. Mishandelingen vonden plaats in de relatiesfeer en zelfs binnen het gezin. “Dit, en het gegeven dat buren en omstanders de daders soms ter verantwoording riepen, wijst erop dat ook in het veengebied sprake was van sociale controle.”

Smokkel
Tijdens de Eerste Wereldoorlog stond het merendeel van de beklaagden terecht voor smokkel. Nederland was neutraal. Smokkel bracht de nationale veiligheid in gevaar, stelde de regering, omdat de strijdende partijen Nederland dan als ‘partijdig’ land bij de oorlog konden betrekken. Daarnaast dreigde er een tekort aan voedsel en goederen te ontstaan. De overheid gaf daarom de hoogste prioriteit aan het opsporen en berechten van smokkelaars. Eggens: “Met een pakje brood onder de arm in de grensstreek lopen was al verboden”. Smokkelaars lieten zich er niet door afschrikken. Er viel met de illegale handel namelijk veel geld te verdienen, stelt de historicus. Bovendien beschouwde de Drentse bevolking smokkel niet als een ernstig vergrijp.

De enige Drentse misdaadstudie aan de hand van seriële gegevens was lange tijd Criminaliteit in Drenthe van de Utrechtse criminologen Kempe en Vermaat, die in 1939 verscheen in opdracht van de Centrale Vereniging voor de Opbouw van Drenthe. Uit het statistische onderzoek blijkt dat agressieve delicten gedurende de periode 1920-1934 bijna de helft besloegen van het totaal aantal Drentse veroordelingen, terwijl nog geen dertig procent werd gekarakteriseerd als economische criminaliteit. De overige delicten bestonden voor het grootste deel uit belastingovertredingen. De daders kwamen verhoudingsgewijs vooral uit de stedelijke gemeenten en uit de gemeente Emmen. Kempe en Vermaat wijten dit aan de grote ‘geïmporteerde’ bevolking in deze gemeenten en de slechte economische omstandigheden in de Drentse zuidoosthoek.

Ten Zijthoff en Douw constateren dat alleen de veengemeenten Emmen en Sleen nog te maken hadden met een stijgende criminaliteit in de laatste decennia van de negentiende eeuw. Ze zoeken de oorzaak van deze groei vooral in de toestroom van veenarbeiders. Hun aanwezigheid zou zorgen voor meer geweld, omdat de migranten ‘niet-boeren en niet-Drenten [waren] die een wezensvreemd element in de Drentse samenleving vormden’. Helaas gaan de historici niet dieper in op de achterliggende oorzaken van die gewelddadigheden, zodat onduidelijk blijft waarom juist de nieuwkomers zich schuldig maakten aan criminaliteit. Wat betreft de relatie tussen armoede en misdaad noemen Ten Zijthoff en Douw eigenlijk alleen het stelen van turf als gevolg van mislukte boekweitoogsten, waardoor er soms geen geld beschikbaar was voor andere levensbehoeften dan voedsel.